Hillegersberg, van het ontstaan tot 1817

Het gebied
De eerste bewoning op de plaats waar nu Hillegersberg is, is op de donk, een rivierduin, die aan het eind van de laatste IJstijd is gevormd.  In de top van het donkzand is een bewiningslaag uit de Nieuw Steentijd (5300 - 2000 voor Christus) vastgesteld. Aardewerk, afval van vuurstenen werktuigen en houtskool zijn daarbij verzameld.

De bodem van het Schiegebied bestaat uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen.

Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werd het Schiegebied dan ook regelmatig geteisterd door stormvloeden. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt. Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied.

De naam Hillegersberg
Hillegersberg is mogelijk vernoemd naar Hildegard van Vlaanderen, echtgenote van graaf Dirk II van Holland en West-Friesland (Dirk II, of Diederik II, ca. 932 – Egmond, 6 mei 988). Deze graaf was in de tiende eeuw eigenaar van Bergan, dat in Oudhollands versterkte plaats of gehucht betekent. In 1028 bevestigde keizer Konraad in een oorkonde de gift door de bisschoppen Ansfridus en Adelbold (van de Amersfoortse abdij van Hohorst) van het dorp Bergan aan de abdij van St. Paulus te Utrecht. Dit is de oudste, erkende, schriftelijke vermelding van Hillegersberg.

De eerste bouw van huizen en wegen
Op de donk van Hillegersberg werd een van de oudste kerken van Schieland gebouwd. De stichting van de kerk van Hillegersberg dateert tenminste uit de vroege elfde eeuw, maar is mogelijk nog ouder. Halverwege de dertiende eeuw werd naast de parochiekerk op de donk een stenen woontoren gebouwd. Bewoning concentreerde zich niet alleen langs waterlopen als de Rotte en op kreekruggen zoals de Kleiweg, maar ook langs ontginningsassen als de Straatweg en op donken.

Het te ontginnen gebied werd opgedeeld in 'copen' (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen.

De Kleiweg (de naam “Cleyweg” wordt overigens pas voor het eerstgenoemd in 1419) was onderdeel van een oude zeedijk die al in de tijd van de Romeinen bestond, de weg maakte in de 12e eeuw deel  uit van de zeewering die werd aangelegd door Egmonder monniken, bijgestaan door hun medebroeders van de Sint Paulusabdij uit Utrecht, tussen Gouda en Vlaardingen. In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aange­legd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren. Het gehele Schiegebied werd ontgonnen en opgedeeld in ambachten.

Ook een aantal historische routes is tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar, zoals de ‘Bergh Weg’ (de tegenwoordige Straatweg, Bergse Dorpsstraat en Grindweg), de Strekvaart en Strekkade, de twee Molensloten en de Buyte Wateringh (Ringvaart). De Bergweg was ontstaan als ontginningsas en werd in 1387 voor het eerst als weg genoemd. Het was vanouds de weg van Rotterdam naar Bergschenhoek. Aan weerszijden van de Bergweg, met name tussen Rotterdam en Hillegersberg, lagen enkele omvangrijke buitenplaatsen uit de zeventiende eeuw. Tussen Hillegersberg en Bergschenhoek stonden boerderijen en landarbeiderswoningen.

Ter hoogte van de kerk op de donk, langs de tegenwoordige Bergse Dorpsstraat, had zich een kleine bewoningskern ontwikkeld. De Strekvaart en Strekkade dateren tenminste uit de vroege zeventiende eeuw. De vaart en kade vormen de grens tussen de Berg- en Broekpolder en de Boterdorpse Polder en waren van belang voor de waterhuishouding. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen beide polders ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders inundeerden. De Strekvaart was bovendien een transportroute.

Het ambacht Hillegersberg
In 1269 gaf Graaf Floris V heerlijke rechten van het "ambacht van Hillegersberg" uit aan Vrancke Stoop. Het ambacht van Hillegersberg was een van de grotere ambachtsheerlijkheden rond Rotterdam. De middeleeuwse polder van het ambacht bevat structuren die vandaag de dag nog steeds bestaan, zoals de Rotte die dwars door het grondgebied stroomt en de Vlietsloot die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormt.

Werk en leefomstandigheden
Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw en werd daarom benut voor turfwinning. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk; de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren. 

De vraag naar turf bleef groeien en voor de Schielandse plattelandsbevolking was slagturfwinning een belangrijke inkomstenbron. Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. Een groot gedeelte van het grondgebied van het ambacht van Hillegersberg stond onder water. Aan weerszijden van de Bergh Weg en ten noorden van de dorpskern waren grote veenplassen ontstaan.

In de 17e en 18e eeuw bevond zich aan de Rotte een geliefde pleisterplaats, de buitenherberg "Den Oranjeboom". De herberg was een van de toprestaurants van zijn tijd en mocht zich met regelmaat verheugen in stadhouderlijk bestuur.

De twee Molensloten zijn loodrecht op de Rotte gegraven afwateringssloten. De Molensloten waterden af op de Rotte door de Broekse Molen en de Berchschse Molen (gebouwd in 1475 en in 1648 vervangen door de de Prinsenmolen). De Buyte Wateringh is nog steeds herkenbaar als de Ringvaart. De Prinsenmolen werd tot de 18e eeuw nog Berchsche molen genoemd. Onduidelijk is of de naamsverandering komt door de overnachting van de jonge prins Willem III of een bezoek van stadhouder Willen IV in 1747. Beide molens speelden een rol bij de droogmaking van uitgeveende plassen bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de broodgraanprijzen stegen. In 1772 werd een begin gemaakt met het droogmaken en bedijken van uitgeveend land en water. Tegelijk met de Schiebroekse Polder werd in de polder Berg en Broek een kleinere polder drooggelegd. Deze kleine polder was in 1780 drooggemalen en kreeg de naam Polder 110 Morgen. Om het maalvermogen van de polder Berg en Broek te vergroten is in 1881 het stoomgemaal Berg en Broekse Verlaat aan de Bergse Rechter Rottekade gebouwd en is de Broekse molen vervangen. De Prinsenmolen heeft tot 1966 zijn bemalingstaak behouden, toen kwam een elektrisch gemaal aan de Bergse Rechter Rottekade.

Er bestonden geen plannen om de Bergse Plassen droog te maken wegens gebrek aan capaciteit van de bestaande machinerie. De Voorplas stond door middel van twee sluizen in verbinding met de Rotte. Een ervan was het Boterdorps Verlaat (1740), gelegen bij de uitmonding van de Strekkade en de Rotte. Rondom deze schutsluis ontstond aan weerszijden van het water een gehucht met onder meer enkele woonhuisjes, een boerderij, een herberg en scheepswerfjes. 

Hillegersberg bestond uit een dorpskern en was overigens een agrarische gemeenschap: landbouw en vooral veeteelt. Het oude raadhuis staat vlakbij de donk, dateert uit 1752 en heeft classicistische elementen zoals een symmetrische en drieledige opbouw met een plint, een gepleisterde gevel met schijnvoegen om natuursteen te imiteren en een kroonlijst. Zo rond 1800 was de Strekvaart een druk bevaren water, waar scheepjes vanaf de Grindweg naar het Boterdorpse Verlaat voeren. Aan de Grindweg lagen veel boerenbedrijven die zorgden voor de vracht: boter, kaas en melk. Bij het Verlaat werd de vracht overgeladen in grotere schepen die vervolgens naar de Botersloot in Rotterdam voeren. Daar werden de waren verhandeld.

De zeventiende- en achttiende-eeuwse buitenplaatsen combineerde de functies wonen en werken. De buitenplaatsen bestonden uit een woonhuis en bijgebouwen met een bedrijfsfunctie zoals touwslagerijen of scheepsmakerijen. De buitenplaatsen droegen namen als Lommerrijk (1665), Bergzicht (1726), Visvreugd (1745), Lamsrust (1745), Bijdorp (1800), Zeevreugd (1802) en Haagwijk (1804). In 1799 werd het logement "Het wapen van Holland" opgericht. Dit logement (later ook bekend als "Freericks") zou uitgroeien tot de bekendste uitspanningen van Hillegersberg. Op de achterterreinen stonden molens (korenmolens, snuifmolens, pelmolens). De industriële functie werd uitgebreid langs de Strekkade waar twee papiermolens en arbeiderswoningen stonden.

In 1817 werd Hillegersberg een zelfstandige gemeente.

Ca. 1000: kerk en (later) burcht van Hillegersberg

Op de donk van Hillegersberg werd een van de oudste kerken van Schieland gebouwd. De stichting van de kerk van Hillegersberg dateert tenminste uit de vroege elfde eeuw, maar is mogelijk nog ouder.  Kort na 1150 is de kerk waarschijnlijk herbouwd in een groot formaat stenen: (klooster)moppen.

Ca. 1240 werd naast de parochiekerk op de donk een stenen woontoren gebouwd. Deze "burcht" ("het kasteel") bestond uit een woontoren van 10x10 meter, waar een 6 meter hoge motte van zand tegen is opgeworpen op het rivierduin. De muren zijn aangelegd op het natuurlijk maaiveld.De hierdoor ontstane kelderverdieping is vijf meter hoog en wordt overkluisd door een dubbel tongewelf. De dikke muren wijzen erop dat het niet alleen als woning en statussymbool diende, maar ook een defensieve functie had.

In de middeleeuwen ontstond een woongemeenschap rond het kasteel en de kerk op de heuvel. De heuvel bood bescherming tegen het op gezette tijden oprukkende water. De woongemeenschap bestond voor het merendeel uit houten huizen met rieten daken.Pas in de tweede helft van de 14e eeuw is de toren op de kerk gebouwd.

In de Divisiekroniek van 1517 wordt vermeld dat het "Huis ten Berghe" in 1426 door de legers van Jacoba van Beieren werd verwoest in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De Hoekse krijgsoverste van Jacoba van Beieren, Willem Nagel, baljuw van Kennemerland, verwoestte de kastelen Kralingen, Spangen, Starrenburg, Kapelle, Spieringshoek, Weena en Hillegersberg. De kerk viel aan brand ten offer en werd volledig verwoest.

In de loop van de vijftiende eeuw werd de kerk herbouwd: de Hillegondakerk. De Hillegondakerk is door de eeuwen heen gefaseerd vergroot, verbouwd en grondig gerestaureerd. Er is daarom niet echt sprake van een stijlvaste laatgotische kerk, maar wel van een kerk met veel laatgotische onderdelen.

De legende van de reuzin Hillegonda

Volgens de legende van Hillegersberg is de zandberg ontstaan doordat de reuzin Hillegonda zand uit haar schort zou hebben verloren. Dit is mooi beschreven in “Souvenir aan Hillegondsberg”. In verschillende legendes wordt ook verteld dat zij daarbij twee tranen liet: de huidige Bergse voor- en achterplas...



Een nieuwe visualisatie van de reuzin Hillegonda (© Jan J.P.Carlier 2015).

Op de zandheuvel bouwde zij haar huis en zo ontstond Hillegersberg, de berg van Hillegonda. De reuzin Hillegonda met gescheurd schort siert het Wapen van Hillegersberg. Deze legende is ook verwoord in het Hillegondalied, sinds ca 1900 het 'volkslied' van Hillegersberg. Het werd bijvoorbeeld gezongen bij de jaarlijkse aubade voor de (toenmalige) burgemeester op Koninginnedag. Alle schoolkinderen leerden het uit het hoofd.
Een door heel Europa bekende Hillegersbergenaar uit de Middeleeuwen was de dichter en voordrachtskunstenaar Willem van Hildegaersberch (1350-1408).















De ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg van 1269 tot heden

Op 2 november 1269 verleent Floris V, graaf van Holland, aan zijn leenman Vrancke Stoop (Frank Stoop) erfelijke rechten van Hillegersberg aan zijn leenman Vrancke Stoep (Frank Stoop). Het 'kasteel' te Hillegersberg en de daaraan verbonden 'heerlijke rechten' kunnen aan zijn dochter Aleida Stoop vervallen, indien de vader geen mannelijke erfgenaam achterliet bij zijn overlijden. Dit zou het geval blijken te zijn.  Vervolgens viel het aan zijn  kleindochter Hildegunde van de Velde toe. De letterlijke tekst van het charter van Floris V (de oorkonde) is bewaard gebleven.

Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Het huidige Hillegersberg maakte deel uit van de nog veel grotere ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg Bergschenhoek en Rotteban. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag verte­genwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende.

Het bezit van de heerlijkheid was erfelijk, maar kon ook worden verkocht en gekocht. Voor zover valt na te gaan, blijkt de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge. In 1575 verkreeg Rotterdam het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Dit was een begeerd voorrecht omdat het de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg en Moordrecht impliceerde. Hierdoor werd de invloedsfeer van Rotterdam met een groot deel van Schieland uitgebreid omdat Rotterdam eigenaar werd van de heerlijke rechten en met name van het benoemingsrecht in de aan de stad grenzende ambachtsheerlijkheden.

In 1798 (de Bataafse omwenteling) kwam een eind aan 'de heerlijke rechten'. Koning Willem I herstelde de rechten enigszins in 1814, maar in 1848 kwamen als gevolg van grondwetswijziging de rechten tot benoeming van personen in openbare ambten echt ten einde. De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 24 november 1851 de heerlijkheid van Hillegersberg te verkopen. De verkoop vond plaats bij openbare veiling op 21 en 28 juli 1853.

Vanaf 28 juli 1853 was ds. Jan Jacob van Voorst te Amsterdam in het bezit van de heerlijkheid Hillegersberg. Ds. Van Voorst verkocht de heerlijkheid op 9 juli 1861 aan mr. P.G.J. Hoog van ter Aar. Zijn weduwe liet de heerlijkheid veilen, deze kwam op 4 maart 1868 in handen van Leendert Pieter le Sage ten Broek, ontvanger der successierechten te Rotterdam. Hij wijzigde vervolgens zijn naam in Le Sage ten Broek van Hillegersberg. Zijn weduwe legateerde de heerlijkheid aan Jhr. ir. Paul Tieleman Marie Stoop te Den Haag. Stoop veranderde zijn naam in Stoop van Hillegersberg.  Hij had geen mannelijke nakomelingen, zijn weduwe droeg de heerlijkheid over.

Op 22 maart 1949 kwam de heerlijkheid van Hillegersberg bij Martinus Hendrik de Gou te Den Haag. Na zijn overlijden op 4 januari 1958 ging de heerlijkheid van Hillegersberg over naar zijn zoon, mr. dr. Leonard de Gou, burgemeester van Venlo en lid van de Eerste Kamer.

De bevolkingsontwikkeling van Hillegersberg van ca. 1500 tot aan ca. 1825

Er zijn verschillende schattingen en tellingen bekend van woningen en inwonertal van Hillegersberg. Vanaf de 15 eeuw tot aan ca. 1730 nam het aantal inwoners gestadig toe, het klom van ca. 500 naar ca. 3.700. De Rotte deelde Hillegersberg in twee delen. 75-80% van de huizen stonden ten westen van de Rotte. Het dorp was het kerkelijk en bestuurlijk centrum, maar al in de 16e eeuw groeide de bevolking rond Bergschenhoek meer dan rond het dorp Hillegersberg. De belangrijkste inkomstenbron was de turfwinning in de noordelijke veenderijen: Bergschenhoek en de Ommoorden. Daar werkte 35% van de bevolking, terwijk slecht 15% in de landbouw werkte. 

Over de gehele 18e eeuw genomen waren de doop- en doodcijfers in Hillegersberg ongeveer gelijk. Er overleden iets meer kinderen dan volwassenen, meer dan helft van de kinderen werd niet volwassen. Er stiefven meer jongens dan meisjes.

Toen in de loop van 18e eeuw het land vrijwel was weggeveend, raakte het oude dorp Hillegersberg meer en meer bevolkt en werd weer het zwaartepunt. In 1742 werkten een kleine 60 personen in de textiel en waren er zo'n 20 schoenmakers en 6 barbiers. Toen de vervening ten einde liep nam de armoede snel toe. Vooral door de vestiging van een aantal notabele Rotterdamse families op buitenplaatsen en door de bouw van herenhuizen ontstond een verkeerd beeld over de welwaart van Hillegersberg. De bevolking nam af, in 1795 telde Hillegersberg 3.005 inwoners, ca. 1820 waren het er nauwelijks 2.400.

Aan het eind van de 18e eeuw kwam in en om het dorp enige industie tot ontwikkeling. Vanwege de inpoldering waren er tientallen watermolens in het gebied. Er  werden enkele industriemolens gebouwd: enkele snuifmolens ten zuiden van het dorp, een pelmolen bij De Koot en een papiermolen aan de Strekkade. Langs de Rotte waren enkele scheepsbouwers gevestigd. In het eerste kwart van de 19e eeuw kwam Hillegersberg de economische crisis te boven en nam het bevolkingsaantal weer toe.

1752 tot heden: het "oude" raadhuis van Hillegersberg

Het oude raadhuis dat vlakbij de donk staat en nu als adres Kerkstraat 10 heeft, dateert uit 1752 is gebouwd op de grondslagen van het eerste 'regthuijs' dat in 1599 gereed kwam. Het raadhuis heeft classicistische elementen zoals een symmetrische en drieledige opbouw met een plint, een gepleisterde bakstenen gevel met schijnvoegen om natuursteen te imiteren en een kroonlijst. De gevelsteen, gebeiteld door beeldhouwer Jacob Janson, toont de wapens van Rotterdam en Hillegersberg en de datum van de eerste steenlegging door jvr. Lucia Steenlack, de echtgenote van schout Claudius Johannes Steenlack. Het raadhuis bevatte slechts twee kamers en een keuken.

Het pand deed als raadhuis van Hillegersberg dienst tot 1922. Vervolgens gebruikte "Het Groene Kruis" het gebouw gedurende ca. 15 jaren. Na enige tijd van leegstand nam de dienst van Sociale Zaken het pand in gebruik. Vanaf 1938 kreeg de Vereniging Oud-Hillegersberg en Rotteban de gelegenheid hier de historisch-geografische collectie onder te brengen: het prentenkabinet en de boekerij als historisch archief van de gemeente Hillegersberg. In september 1938 werd hier de tentoonstelling "Oud-Hillegersberg" gehouden, die officieel werd geopend door burgemeester Van Kempen.

In mei 1940 werd door de Duitse bezetter het gebouw in gebruik genomen voor de gemeenteadministratie en later voor de distributiedienst, dan wel als 'bureau voor vluchtelingen'. Zonder enige voorkennis van de eigenaren werd het prentenkabinet gesloten en werd het materiaal verbannen naar de zolder. De collectie dreigde daar grote schade op te lopen en na grote druk kwam toch weer ruimte 'beneden' beschikbaar. Op 21 juni 1941 werd het prentenkabinet heropend met een tentoonstelling die betrekking had op het verleden van Hillegersberg en in het teken stond van de aanstaande annexatie van Hillegersberg door Rotterdam. Kort na de annexatie op 1 augustus 1941, namelijk al op 22 november 1941 moest het prentenkabinet plaatsmaken voor de Nutsbibliotheek.