Schiebroek van 1920 tot 1941

Bestuurlijke situatie
In Nederland kwamen na de Franse tijd gemeenten, ook Schiebroek werd in 1816 een zelfstandige gemeente. Schiebroek was tot ca. 1920 ‘slechts’ landelijk gebied, de gemeente Schiebroek stelde lange tijd dus eigenlijk niets voor: een beperkt grondoppervlak en circa 200 verspreid in het gebied wonende inwoners. Er was enige concentreerde bebouwing aan de Kleiweg en langs de Hoge Limiet, maar er was geen sprake van een dorpskern. 

Het burgemeesterschap van Schiebroek was een bijbaan. Tot 1924 was de burgemeester van Overschie of van Hillegersberg tevens burgemeester van Schiebroek. In 1865 telde de gemeente Schiebroek 335 inwoners. Een gebouwtje aan de Kleiweg op de hoek van de Hoofdlaan wordt in 1875 raadhuis. Dat gebouw was overigens ook het woonhuis van het hoofd van de openbare lagere school. Over Schiebroek werd geschreven als “een gemeente zonder bebouwde kom, zonder centrale punten, een kerk had het niet en geen enkel ander publiek gebouw”. Dat was ook zo. De gemeenteraad vergaderde in een buurtschooltje, politie en brandweer ontbraken.

In 1924 kwam de eerste (en de laatste) echt fulltime burgemeester van Schiebroek. De gemeentesecretaris Jan Pieter Henderik Dhont werd toen benoemd tot burgemeester. Hij zou dit blijven tot aan de opheffing van de gemeente in 1941. 

Bouwkundige ontwikkeling
In 1920 was het inwonertal toegenomen tot 772. Terwijl aan het begin van de twintigste eeuw op de Rotterdamse zuidelijke Maasoever gestaag een arbeidersstad groeide, maakten de noordelijke randgemeenten plannen voor woningbouw voor gegoede Rotterdammers. Particuliere ondernemingen namen vanaf ca. 1920 het initiatief om in Schiebroek, waar het op de stevige kleigrond goed en goedkoop kon worden gebouwd: er hoefde immers niet te worden geheid. 

In 1920 kocht handelsmaatschappij ‘Hibex’ een groot stuk grond, diep in de Schiebroekse Polder. Met regeringssteun en borgstelling van de gemeente kon Hibex hier starten met de bouw van haar Tuinstad Schiebroek, ontworpen door de Haagse architect W. Verschoor. Zo’n ‘tuinstad’ was in die jaren een populair uitbreidingsmodel, geïnspireerd op de Engelse Garden City: een complete woonsamenleving in een gezonde, groene omgeving. Het Schiebroekse plan bestond uit achthonderd woningen, voornamelijk eengezinswoningen met tuin, per twee, vier of acht huizen geschakeld, en afgewisseld door groene singels, parken, scholen en winkels. Verslaggevers van het Rotterdamsch Nieuwsblad bezochten in 1922 de eerste – en wat later zou blijken de enige – 104 gebouwde woningen van de tuinstad. Ze roemden de ruime en groene opzet van het plan: de doorkijkjes naar de ‘weelderige akkers van het hart van Zuid-Holland’, de op twintig meter breedte gebrachte hoofdroute Adrianalaan en de uniforme erfafscheiding met hagen. Minder enthousiast werd de architectuur van de middenstandswoningen omschreven, die nogal sober was en ‘plomp’ aan deed door de zeer flauwe daken. Ondanks dat de woningnood in Rotterdam in deze jaren op zijn piek was, kreeg Hibex de woningen niet aan de man. De gemeente Schiebroek moest Hibex overnemen. Ondanks de ‘tuinstad-misère’ zijn de 104 zogenaamde Hibexwoningen tegenwoordig nog een karakteristiek en herkenbaar ensemble aan de Adrianalaan. 

In 1923 tekende ontwerper J.L. Zaaijer een bestemmingsplan voor Schiebroek. Het karakter van een tuinstad – ingezet door het plan Hibex – bleef leidend. De ruimtelijke opzet baseerde zich op de landschappelijke onder­grond: polder- en molentochten werden uitgegraven, verbreed en ingericht als lommerrijke singels. De singels en de haaks erop liggende wegen vormden bouwvelden voor middenstandswoningen, met in het centrum van vrijwel elk bouwveld ruimte voor een park- of sportterrein. De zone langs de Bergse Achterplas was gedacht voor villabouw, terwijl de meest zuidelijke punt was bestemd voor gesloten bouwblok­ken met arbeiderswoningen, die een overgangszone vormde naar het meer stedelijke Kleiwegkwartier. De huidige Lindesingel, Kastanjesingel, Meidoornsingel en Wilgenlaan – oude poldertochten – zijn erfenissen van dit plan. Een van die woningbouwplannen was die van de N.V. Molenvliet die op een langgerekte strook grond tussen de Ringdijk en de Hofpleinspoorlijn wilde gaan bouwen. De lat lag hoog: in drie woonbuurten, inclusief een nieuw dorpscentrum, zouden 12.000 nieuwe inwoners een plek vinden. De gemeente Schiebroek zorgde bij voorbaat voor een goede infrastructuur, zodat een snelle en goede verbinding met Rotterdam tot stand kwam. De Ringdijk werd verbreed van zes tot vijftien meter en geasfalteerd. Er kwam een brug aan het uiteinde van de aan te leggen Wilgenplaslaan. Van het plan van de N.V. Molenvliet is uiteindelijk echter alleen het gebied rondom de Molenvijver daadwerkelijk uitgevoerd. 

In 1924 bouwde de woningbouwvereniging Onderling Belang de eerste sociale woningen in Schiebroek aan de De Villeneuvestraat en de Adrianalaan: vier blokken van vier woningen. Het typische bebouwingsbeeld van dit deel van Schiebroek – royale woningen aan de singels, in de zijstraten meer stedelijke blokken – is in deze fase vastgelegd, en zou ook in de naoorlogse afrondingsplannen een leidraad blijven. In de periode 1927-1932 zijn ook de huizen gebouwd ten noorden van de Kleiweg, wat nu de Edelstenenbuurt is. Maar het zwaartepunt van Schiebroek ging van het Kleiweggebied naar de polder. Symbool hiervan was de verplaatsing van het raadhuis van de Kleiweg naar een locatie aan de Ringdijk vlakbij het in aanbouw zijnde tuindorp. Het nieuwe raadhuis, dat door de Schiebroekse gemeentearchitect H. Russcher was ontworpen, werd op 22 april 1930 geopend. Tussen 1930 en 1934 bouwde Hendriks met zijn N.V. Vooruitstrevend zo’n 350 woningen rond de Adrianalaan. Op het platteland rond de nieuwbouw in Schiebroek was het wonen overigens wel behelpen: zo had boer Kloot had een gaswel, hij kookte op moerasgas. Behalve op warme dagen, dan was er te weinig druk. 

In 1932 was Schiebroek al wat geworden. Relatief veel mensen 'van buiten' kwamen in Schiebroek wonen. Er kwam ook een verenigingsgebouw: Arcadia. In dat jaar had Schiebroek 4100 inwoners. In 1932 tekende Russcher een herziening van het uitbreidingsplan. De belangrijkste reden om het plan te herzien was dat Rotterdam een wegenplan had vastgesteld dat ook over Schiebroeks grondgebied liep. Russcher volgde deze hoofdwegen en volgde verder het rechtlijnige stelsel van de tot singels vergraven poldertochten. Russcher vatte de gehele gemeente ook op als één grote tuinstad met een open en landelijke bebouwing, maar was daar minder rigide in dan zijn voorganger Zaaijer. Het werd ook mogelijk boven- en benedenwoningen te realiseren, er was te veel vraag naar deze goedkope huisvesting. Een belangrijke plek was het plein bij de nieuw geprojecteerde treinhalte Wilgenplas. Russcher greep de attractie en de treinhalte aan om deze plek te benadrukken door het aanleggen van een groot stationsplein waar diverse hoofdwegen op uit zouden komen. Om de toegankelijkheid vanuit de stad te vergroten werd de Wilgenplaslaan aangelegd. Deze 1,5 kilometer lange en vijftien meter brede klinkerstraat liep door de weilanden en was een snelle route van de stad naar het attractiepark ‘De Wilgenplas’.

Vanaf 1935 kwamen er zoveel nieuwe inwoners dat het de moeite waard was voor hen een gemeentegids van Schiebroek uit te geven. Deze zou drie keer verschijnen tot de gemeente in 1941 werd opgeheven. Vanaf 14 mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, nam het aantal inwoners van Schiebroek fors toe. Krantenberichten uit die tijd spreken van "een stroom van vluchtelingen uit Rotterdam" die zich die namiddag naar Schiebroek begaven. Ongeveer 7.000 vluchtelingen streken tijdelijk in Schiebroek neer. Gelukkig was Schiebroek voorbereid op de tijdelijke huisvesting van veel (maar niet zo veel) mensen omdat mogelijk veel mensen opgevangen zouden moeten worden uit gebied dat eerder onder water was gezet. Die mensen kwamen niet, zodat nu de Rotterdamse vluchtelingen konden worden gehuisvest. Er kwamen ook twee volledig geoutilleerde noodziekenhuizen: één in het Kleiwegkwartier en één op de Eikenlaan. Het vluchtelingencomité vestigde zich in Arcadia, van waar uit ook de voedselvoorziening werd geregeld. Snel kwam ook een hulppost in gebouw "de Harmonie" aan de Kleiweg. Na enkele weken gingen velen 'vluchtelingen' terug naar Rotterdam, naar hun gespaard gebleven woningen of naar familie. Op enig moment waren er, aldus krantenberichten, nog 1.000 vluchtelingen in Schiebroek. Zij waren allen ten gemeentehuize geregistreerd, er werd nagedacht een aantal van hen -uit oogpunt van hygiëne- nog elders onder te brengen. Toch zouden velen zich blijvend in Schiebroek vestigen. 

Het leven in Schiebroek
In Schiebroek was het prettig wonen. De huren waren laag, voor 35 gulden per maand had je een huis met voor- en achtertuin, met een bad en met centrale verwarming. Dat de huren, ook voor die tijd, laag waren kwam ook omdat er veel werd gebouwd, ook bijvoorbeeld in het nabijgelegen Blijdorp en Bergpolder en er dus sprake was van veel leegstand.

Ook het openbaar vervoer was goed. Op 1 oktober 1908 startte de exploitatie van de treinverbinding Rotterdam-Hofplein naar Scheveningen door de ZHESM. Een van de haltes was Schiebroek. Op 17 maart 1924 komt er nog een halte in Schiebroek, aan de Adrianalaan. Deze halte blijft in gebruik tot 1932, dan wordt even verderop de halte Wilgenplas in gebruik genomen. 

In en rond Schiebroek was veel ruimte op te spelen en te recreëren. Er was nog veel weiland: ruim uitzicht en ‘speelterrein’ voor de kinderen. Schiebroek kreeg ook een mooi recreatiegebied: De Wilgenplas, een volgelopen kuil van de zandafgraving voor de bouw van de spoorlijn. De Hillegersbergse ontwikkelaar A. Poot realiseerde daar in 1931 een openluchtzwembad van 300 x 120 meter met 1800 kleedhokjes), inclusief een lunapark, compleet met een achtbaan. Het zwemmen en zonnebaden was een groot succes (100.000 bezoekers in het seizoen), het pretpark niet. In 1932 kwam even ten noorden van het attractiepark een voetbalstadion voor Xerxes. Ook het stadion is een initiatief van ondernemer Poot. Het stadion heeft 32.000 plaatsen en is na het Olympisch Stadion het grootste stadion van Nederland. Begin 1940 gaat het gehele project failliet en het stadion wordt ontmanteld. 

Het culturele leven in Schiebroek beperkte zich tot de activiteiten in het verenigingsgebouw Arcadia.  Een (enigszins) bekende kunstschilder uit deze tijd was Kees de Voogt (1893-1973). Hij woonde aan de Hoofdlaan in het Kleiwegkwartier. 

Opheffing gemeente Schiebroek
Op 1 augustus 1941 werd de gemeente Schiebroek opgeheven en werd het grondgebied van 622 ha met zijn inwoners toegevoegd aan Rotterdam. Het Raadhuis van Schiebroek krijgt de functie van wijkkantoor van de afdeling Sociale Zaken voor Hillegersberg en Schiebroek. Schiebroek krijgt geen eigen hulpsecretarie "aangezien het voormalige Raadshuis aan de Ringdijk op een afstand van slechts 15 minuten lopen van het Raadhuis van Hillegersberg is gelegen.". 

1932, Het Lunapark bij de Wilgenplas, Schiebroek.