Hillegersberg van 1817 tot 1920: geografisch en bestuurlijk

Geografisch
Tot 1817 omvatte het ambacht "Hillegersberg en Rotteban" ook Bergschenhoek. Rotteban was het gedeelte van het ambacht dat zich ten westen van de Rotte uitstrekte (Terbregge). In 1817 werden Hillegersberg en Bergschenhoek afzonderlijke zelfstandige gemeenten. Qua oppervlakte bleef de gemeente Hillegersberg groot. Een belangrijk deel van het huidige Rotterdam-Noord was Hillegersberg.  Ommoord en een groot deel van Het Lage Land (Alexanderpolder) hoorden bij Hillegersberg. Het was een stil poldergebied met een beperkt aantal boerderijen en, langs de wegen naar Zevenhuizen en Nieuwerkerk aan den IJssel, een paar bedrijfjes zoals enkele tuinderijen, een machinefabriekje, een smederij en een aardappelstomerij. Voor een beeld van het grondgebied van het Hillegersberg van na 1817 zie de kadastrale kaart 1811-1832, hierbij is ook een 'vertaling' naar de huidige plattegrond van het betreffende gebied.

In 1840 had de gemeente Hillegersberg 233 huizen met 1.988 inwoners, verdeeld in dorp Hillegersberg 119 huizen met 1.480 inwoners en de buurtschappen De Heul 23 huizen en 120 inwoners, Zwaanshals 37 huizen en 175 inwoners, Zwaaneiland 14 huizen en 39 inwoners , Bergsche Verlaat 9 huizen en 38 inwoners en Terbregge 31 huizen en 136 inwoners. Belangrijke straten waren de Dorpsstraat, de Bergweg, de Kleiweg, de Grindweg en de Molenlaan. De Molenlaan voerde vanaf de Grindweg naar de molen De Vier Winden in Terbregge en vormde de verbindingsroute tussen Rotterdam en Gouda. 

Vanaf 1850 werden verschillende plassen drooggelegd, maar niet de Bergse Voor- en Achterplas. Hillegersberg en de Rotteban, zoals de gemeente officieel heette,  besloeg 1905 hectaren. Het oostelijk deel van de gemeente bestond lange tijd grotendeels uit water, o.a. de Ommoorden. In 1867 verzocht het gemeentebestuur van Hillegersberg de Bergse Plassen droog te leggen, net als de aangrenzende plassen. Dit werd afgewezen omdat de pompcapaciteit die nodig was voor andere plassen de Voor- en Achterplas er niet bij kon hebben. Dus bleef het er bij en hebben we nog steeds beide plassen met de Bergweg (Straatweg) er tussen in. 

Het was het gemeentebestuur van Hillegersberg dat in 1891 toestemming gaf aan de parochie van de Sint Hillegardiskerk om aan het eind van de Blommersdijkselaan die kerk te bouwen. Een groot gedeelte van wat nu Rotterdam-Noord is behoorde tot 1904 bij Hillegersberg. Bij het Zwaanshals stond een grenspaal. De grote omvang van Hillegersberg ervoer o.a. een in 1891 aan de Hillegersbergse kant van het Zwaanshals geboren meisje dat dagelijks naar haar Christelijke school in het dorpscentrum van Hillegersberg moest lopen.

Straatnamen
In Nederland werden straatnamen pas officieel opgeschreven nadat dit in 1851 in de Gemeentewet als verplichting werd opgenomen. Daarbij werden vaak gewoon de straatnamen overgenomen die in de volksmond bekend waren. In de 18de eeuw werd ook gewerkt met kadasternummers en met de oude- en nieuwe wijknummers. Rond 1817 is er een nieuwe wijkindeling gemaakt van 7 wijken (A t/m G) naar 4 wijken (A t/m D). Een huisnummer was bijvoorbeeld "Hillegersberg, wijk B, nummer 49". Op een oude kadastrale kaart uit 1832 informatie over elk perceel beschikbaar en zijn de eigenaren aangegeven. 

Bestuurlijk
De gemeente (het ambacht) Hillegersberg had aanvankelijk de schout aan het hoofd. In 1825 werd het de burgemeester, die met de wethouders het dagelijks bestuur van de gemeente vormde. De burgemeesters van Hillegersberg waren tot 1907 ook burgemeester van het in 1811 van Hillegersberg en de Rotteban afgesplitste Bergschenhoek. In 1848 werd de door Thorbecke ontworpen Nederlandse grondwet aangenomen. Hierin werd het onderscheid tussen steden en dorpen volledig opgeheven. In 1851 volgde de verdere uitwerking in de Gemeentewet, waarin het gemeentebestuur werd geregeld. Het hoogste orgaan in de gemeente werd de gekozen gemeenteraad. Aan de rechten tot benoeming van personen in openbare ambten kwam toen echt ten einde.

Het bezit van een ambachtsheerlijkheid gaf niet langer enig bestuurlijk recht. De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 24 november 1851 de Heerlijkheid van Hillegersberg te verkopen. De verkoop vond plaats bij openbare veiling op 21 en 28 juli 1853. De Heerlijkheid van Hillegersberg werd gekocht door de Amsterdamse predikant J.J. van Voorst voor f. 650. De heerlijkheid is tot vandaag de dag in particulier bezit.


Er is een overzicht van de burgemeesters van Hillegersberg, met hun eerdere of latere gemeentebestuursfuncties. De eerste burgemeester van Hillegersberg was Willem Verbrugge (1772-1825). Voordien was hij schepen van Cool, schepen voor Schieland en kolonel-commissaris van de Franse Nationale Garde van Rotterdam. Verbrugge was schout/burgemeester en secretaris van Hillegersberg en tevens van Bergschenhoek en Rotteban van 1816 (1818?) tot aan zijn dood in 1825. Van 1826-1837 was Willem Nicolaas Anthony van Mierop burgemeester en secretaris van Hillegersberg en Bergschenhoek. Beiden woonden geruime tijd op de buitenplaats waar later de villa Buitenlust werd gebouwd, dat raadhuis van Hillegersberg was van 1921-1941. Verbrugge huurde het van 1820-1825. Van Mierop was eigenaar van de kleine buitenplaats Haagwijk van 1826-1829 en woonde daarna op Plaats Van Damme (Buitenlust) van 1829-1837. 

Van 1837-1863 was Albert Franciscus Leonard Bichon van IJsselmonde (1808-1880) burgemeester van Hillegersberg. Van IJsselmonde woonde op de buitenplaats Bergrust evenals twee eerdere schouts van het ambacht. De buitenplaats Bergrust is in 1885 gesloopt en maakte plaats voor een zestal 'burgerwoningen' aan de huidige Kerkstraat. De begroting van de gemeente was bescheiden, onderwijs en armenwezen vormden aanzienlijke kostenposten. De openbare school had ca. 150 leerlingen, waarvan 10% kosteloos onderwijs genoten.


De gemeente had een gasbedrijf dat sinds 1908 het gasnet exploiteerde. De gasfabriek stond aan de Oranje Nassaustraat (nu: Prins Willemstraat). Het gas werd geproduceerd door olie. De straatverlichting bestond uit gaslantarens. Deze werden een uur na zonsondergang aangestoken door de gemeenteambtenaar Schouten. En hij deed ze rond middernacht weer uit. Al snel kwam er elektriciteit. Vanaf 1910 betrok Hillegersberg dat van Rotterdam en vanaf 1919 betrok Schiebroek het van Hillegersberg. De elektriciteitsaansluitingen van winkels en bedrijven kwamen geleidelijk aan. Particulieren volgden, rond 1940 was elektriciteit geen luxe meer, maar een basisvoorziening.

In Hillegersberg heeft in 1827 de wieg gestaan van een prominent Nederlands politicus: Antony Moens (Hillegersberg 15 april 1827 - Beverwijk 24 juni 1899). De familie Moens bezat in Hillegersberg twee percelen: A667 en A1160, zoals te zien op de kadasterkaart uit 1832. Moens was van 1866-1880 liberaal Tweede Kamerlid voor het district Sneek. Moens begon zijn loopbaan overigens als Hervormd predikant en werd later onderwijsinspecteur. Hij was een pleitbezorger van verbetering van het openbaar onderwijs. Hij zette zich ook in voor een betere lerarenopleiding. Hij werd na zijn Kamerlidmaatschap onderwijsinspecteur in West-Nederland.

De gemeente Hillegersberg had, net als vele andere gemeenten, een gemeentearchitect in dienst. Herman de Roos werd per 1 mei 1899 tot gemeentebouwkundige benoemd. De functie hield in dat De Roos werd belast met: 'het toezicht op het maken van wegen en straten en op het bouwen binnen de gemeente'. Naast toezicht houden diende De Roos advies te geven aan het College van B&W over alle bouwzaken, het onderhoud van gemeente-eigendommen en de daarbij behorende financiën. En hij moest elke week spreekuur houden. 
Op 30 november 1903 kwam de wet in die de (deel-)annexatie van Hillegersberg regelde het Staatsblad: vanaf 1 januari 1904 kwam het gedeelte van Hillegersberg liggende in de Blommerdijkse polder en de Bergpolder ten zuiden van de Ceintuurbaan onder Rotterdams bestuur. De gemeenteraad was zeer tevreden over het functioneren van De Roos, maar wijzigde eind 1910 de functie-inhoud: er moest ook uitvoerend werk worden gedaan als opzichter, het opnemen van de watermeters en het innen van gelden voor de waterleiding. De Roos ambieerde dit niet en naam ontslag. Hij werd in 1911 opgevolgd door C. Buurman (1878-1914).