Hillegersberg van 1920 tot 1941: wonen en werken

Veel woningbouw
De gemeente Hillegersberg gaf begin jaren '20 opdracht tot het maken van een uitbreidingsplan aan het architectenbureau Granpré Molière, Verhagen en Kok. Dit bureau had eerder o.a. tuinstad Vreewijk ontworpen. Als belangrijkste uitgangspunt gold het behoud van de grote wateroppervlakten met hun bestaande contouren. Plantsoenen, een open bebouwing en wandelwegen  ‘die tot een verblijf van korte en lange duur op of aan het water uitlokken’ werden toegevoegd. Ten noorden van de Bergse Achterplas, als uitbreiding van de oude dorpskern, was een ‘tuinstadswijk’ gedacht. Direct aan de Bergse Achterplas werd voortgebouwd op de ruime verkaveling met woningen voor de betere middenstand en met villa’s en landhuizen. Het uitzicht op het water mocht niet worden belemmerd. Voor zover niet bebouwd waren de oevers bestemd voor de aanleg van plantsoenen. Langs de westelijke en noordwestelijke rand van de tuistadswijk waren arbeiderswoningen gepland.

Tussen 1920 en 1930 werd veel gebouwd: het Berglustkwartier en Kleiwegkwartier. Voor nieuwbouw in Hillegersberg was in de jaren '20  L.N. Krijgsman jr. een veelgevraagd architect. Krijgsman werkte hierbij o.a. samen met A. Poot huizen aan de Lisbloemstraat en bij het Bergpolderplein. Aan het Bergpolderplein bouwde Poot in 1926 zelf twaalf woonhuizen; de winkelbestemming van de begane grond is van later datum. In het Berglustkwartier kwamen naast herenhuizen ook de eerste 'woonblokken' van 3- en 4-hoog met verschillende woningen, hier was Jan Hendriks de projectontwikkelaar.

Al in 1920 maakte het architectenbureau Grandpré Molière, Verhagen en Kok een bestemmingsplan voor het Molenlaankwartier. Woningen met puntdaken. Bijzonder is de bouw van "De Rooie buurt", waar één van de voorwaarden om te mogen huren dat je socialist moest zijn. Dat project betrof het Bergplein, het Koekoekplein, het Hillegondaplein en het Jubileumplein. Het eerste complex daarvan werd in 1923 voltooid. Er kwam later veel meer nieuwbouw, bijvoorbeeld aan de Burgemeester Le Fèvre de Montignylaan in 1935. Architect J.W.C. (Joost) Boks (1904-1986) begon daar zijn loopbaan met de bouw van drie woningen (44-48). Later bouwde Boks o.a. het Deltahotel in Vlaardingen en in 1957 het, in 1997 gesloopte,  bejaardentehuis van de Maria Moll Stichting aan de Beethovensingel. De componistenbuurt is van na 1955.

Ook rond de Straatweg werd veel gebouwd. Op de eilanden in de Bergse Achterplas bouwden Rotterdamse stadsbewoners vanaf de jaren twintig kleine zomerhuizen, de  ‘plashuisjes’. De gemeente stond dit toe, maar stelde eisen aan het maximaal te bebouwen oppervlak en aan de bouwhoogte. De Bergse Plaslaan is vanaf 1920-1921 complexmatig bebouwd, bedoeld voor forensen. Plasoord ontleent zijn naam aan de buitenplaats Plasoord. De eigenaar liet de buitenplaats in 1926 afbreken, zodat hij de grond aan de gemeente kon verkopen voor de bouw van een villapark. In 1932 werd de zijstraat Wilgenoord aangelegd en ook daar verrees een villapark.

Architect Herman van der Kloot Meijburg (1875-1961) was vanaf 1927 zeer betrokken bij de ontwikkeling van Hillegersberg. Eerst, van 1927-1930, als lid van de 'schoonheidscommissie', daarna tot aan de opheffing van de gemeente in 1941 als 'esthetisch adviseur' van her college van B&W. Hij ontwierp het uitbreidingsplan en het 'herziene plan van uitbreiding' in 1939, maar dat werd door de oorlogsomstandigheden nooit goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. 

Ook in Hillegersberg-Zuid werden nieuwe huizen gebouwd. Op het voormalig voetbalterrein van de E.N.K.A. te Hillegersberg werd in 1934 begonnen met de bouw ondernomen van een blok van 34 vrije boven- en benedenhuizen langs de Ceintuurbaan en de Lischbloemstraat. Dit onder de architectuur van Jac. Ouwerkerk.

Het Uitbreidingsplan uit 1933 voorzag ook de bebouwing van Polder 110-Morgen. Voor het zuidelijke gedeelte van de polder was een ontwerp gemaakt dat aansloot op de verkaveling van het Berglustkwartier. Het noordelijke gedeelte van de polder was bestemd voor de aanleg van een begraafplaats. De tot eind jaren ‘30 gebouwde huizen hadden een te hoge huurprijs, dus was er een nijpend tekort ontstaan aan woningen voor de minder gesitueerden. Het uitbreidingsplan werd in 1933 en in 1939 herzien.

Verkeer (o.a. tol en bruggen)
Tot 1920 kende Hillegersberg geen trottoirs. De verkeersdruk was nog niet groot, maar moest al snel wel worden gereguleerd. Tot 1929 gold in Hillegersberg een maximum snelheid voor het verkeer van 20 km. De gemeente nam in dat jaar een verordening aan: de maximum snelheid ging naar 30 km. Dat wel met uitzonderingen zoals de Dorpsstraat. Er was een parkeerverbod voor o.a. de Dorpsstraat en de Straatweg. In 1935 werd het parkeerverbod op de Straatweg aan de kant van de Voorplas opgeheven. In 1937 kreeg de Staatweg fietsstroken. 

Een bijzonder fenomeen dat tot 1 januari 1930 bestond was de tol op de Straatweg ter hoogte van de Kleiweg-Kootsekade. De tol bedroeg voor een vrachtauto 15 cent, een auto 10 cent, voor een paard 2 cent. Ook voor andere dieren moest voor de passage worden betaald. Om de kosten van de aanleg van wegen die enigszins terug te verdienen hief de rijksoverheid tol. In 1924 werd het tolhuisje (dat in 1907 was gebouwd), na aanleg van de Juliana van Stolberglaan, die als sluipweg werd gebruikt,  verplaatst. De tolgaarder deed dienst van ’s ochtends 4.00 uur tot ’s avonds 11.00 uur. De laatste tolgaarder was A.W. Cossee. De opheffing leidde tot een arbeidsconflict met de gemeente. Hij werd uitgever en maakte vanaf 1934 gedurende enkele jaren de gemeentegidsen van Hillegersberg en Schiebroek.

In 1920 werd de Straatweg verbreed door de sloten aan weerszijden te dempen. De functie van de straat verbeterde zeer, maar de straat verloor wel zijn oude allure. Ook kreeg de Straatweg zijstraten op de landtongen. In 1928 kwam de Weissenbruchlaan, althans op 18 mei 1928 gaf het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hillegersberg de straat zijn naam. Voor de aanleg van deze laan moest in 1936 o.a. Villa Françoise, Dorpsstraat 18, wijken.

Op de Staatweg naar de Grindweg waren verschillende bruggen. De uit 1882 daterende Tivolibrug, de ophaalbrug over de verbinding van de Voor- en Achterplas nabij Lommerrijk, werd in 1923 vervangen, zodat de paardentram kon worden vervangen door de elektrische tram. Het bleek niet genoeg: tien jaar later werd de brug opnieuw vervangen, nu door een betonnen bak. Dit op kosten van de RETM omdat de brug uit 1923 toch niet geschikt was gebleken voor het zware tramverkeer. De 'oude' brug uit 1923 werd in 1933/4 verplaatst naar eind Dorpsstraat/ begin Grindweg. "Vrouw Werkhoven haalde hem op als dat nodig was. Zij was nog een echte wasvrouw die met een juk emmers water haalde, er was in die tijd nog geen waterleiding. Voor de Tweede Wereldoorlog betaalde je bij haar een cent voor een emmer water.".
De brug eind Dorpsstraat/ begin Grindweg verhuisde in 1938/9 voor de derde keer: nu naar Terbregge (en kreeg de naam Irenebrug). De Irenebrug werd op 5 augustus 1939 feestelijk geopend. Deze brug zou blijven functioneren tot 2004. Speciaal voor de kerkgangers werd de brug elke zondagochtend van 9 tot 10 uur en elke zondagmiddag van half vijf tot kwart voor vijf voor het scheepvaartverkeer gesloten. Zo kreeg ieder de kans om op tijd de diensten bij te wonen.

In 1923 kwam een brug over de Rotte: de Philips Willembrug. Bij de aanleg van deze brug was ook C.N.A. Loos betrokken, naar verluidt omdat hij niet van de pont gebruik wilde maken. Deze  pont voer over de Rotte ter hoogte van de werf van Wurth. Daar was ook de vanuit 1840 daterende herberg "In den Baars" .

In de jaren '30 verloor het Boterdorps Verlaat dat de Voorplas met de Rotte verbindt, zijn functie als schutsluis. Het is sindsdien alleen nog een verlaat om het waterpeil te regelen. Het Berg- en Broekseverlaat, waarvan de eerste steen in 1866 is gelegd, is nog steeds in functie.

Openbaar vervoer
De paardentram van de Schielandse Tramweg-Maatschappij voerde al vanaf 1882 als lijndienst uit tussen Rotterdam en Hillegersberg. In 1918 nam de RETM de exploitatie over; de RETM ging in 1923 over van smalspoor naar een dubbel- en normaalsporige elektrische lijn: tramlijn 14. De tram reed het eerste jaar tot de Tivolibrug, maar daarna tot de Dorpsstraat bij de Strekkade. Aan de Kootsekade kwam in 1923 een nieuwe tramremise, ontworpen door ir. A.D. Heederik. De -nog bestaande- paardentramremise raakte in verval en werd in 1928 gesloopt. In 1929 werd tramlijn 14 doorgetrokken tot de Floris Versterlaan en op 24 mei 1938 tot de Molenlaan.
Lijn 23 ging rijden naar de Kootsekade. De trams reden vaak, in 1936 bijvoorbeeld reed lijn 14 om de 6 minuten en lijn 23 om de 8 minuten. In 1937 werd lijn 23 vervangen door lijn 10, van de Kootsekade naar Spangen.

In 1924 startte de TOD, de Terbregsche Omnibus Dienst. De TOD groeide en had begin jaren '30 een drietal buslijnen met een 10- minutendienst: Lijn T van Rotterdam-Hofplein via de Bergweg en de Molenlaan naar Terbregge, lijn S van Rotterdam via de Staatweg en de Kleiweg naar de Adrianalaan in Schiebroek en lijn U van Rotterdam via de Kleiweg naar de Uitweg. Lijn U kreeg in 1935 als eindpunt de Rozenlaan en werd omgedoopt in lijn R. De gemeente Rotterdam nam lijn T in 1937 over voor 85.000 gulden en lijn S eind 1940 voor f. 37.000. Het busvervoer werd voortgezet door de RET. Pas in november 1953 is lijn T veranderd in lijn 46. De RET kwam in 1936 met een plan voor een tramverbinding van lijn 10 over de Kleiweg. De gemeenteraad van Hillegersberg was voor, maar de bewoners en de winkeliers waren tegen, de bus voldeed in hun ogen prima. De gemeenteraad trok zijn goedkeuring in, de tram over de Kleiweg kwam er voorlopig niet (tot 1960). In de gemeenteraadsvergadering van 27 september 1937 werd besloten tot doortrekking en verplaatsing van het eindpunt van tramlijnen 10 en 14 langs de Bergsingel (nu: Burgemeester F.H. van Kempensingel) naar de Molenlaan.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw was een een spoorwegnet-in-opbouw met o.a. een halte Hillegersberg (Rotterdam-Noord) aan de lijn naar Utrecht en een halte Schiebroek (Kleiweg) aan de lijn naar Scheveningen. Ook waren in Hillegersberg taxi's beschikbaar. RAVERO had een standplaats aan de Hilleniussingel.

Na het bombardement van Rotterdam was het de tram vanuit Hillegersberg (lijn 10) die, op 28 mei 1940, als eerste weer over op de Coolsingel reed,  in de richting van de Westzeedijk naar Spangen, zij het met gesloten deuren.

Leven in Hillegersberg
Hillegersberg 'verstedelijkte'. De tol, die al in 1734 op de Bergweg was ingesteld, werd eind 1929 opgeheven. Er kwamen nieuwe scholen en kerken. Tot aan het begin van de 20ste eeuw bemoeide de overheid zich nauwelijks met 'de verwaarloosde jeugd'. Als ouders niet voor kinderen konden zorgen werd de verzorging overgelaten aan het particulier initiatief (veelal kerken).  In de steden waren weinig kindertehuizen anders dan weeshuizen. In 1928 kwam er, vanuit particulier initiatief, een kindertehuis op de Langeweg (nu: Prins Bernardkade) hoek Willem van Hillegaersbergstraat: Kinderhuis Moria.

Koninginnedag was een jaarlijks terugkerend feest dat op 31 augustus en ook de dagen daarna binnenshuis en buitenshuis werd gevierd. Zo staat in de Maasbode van 27 augustus 1930 dat het ijverige comité "De vlaggen uit" voor 3 september een programma had opgesteld, beginnend met een aubade voor het Raadhuis van alle schoolkinderen uit het dorp, opgehaald door muziekkorpsen en de buurtverenigingen "Oranje Nassau" en "Wilhelmina van Nassau". Verderop de dag: kinderspelen, zwemfeest in "Het zwarte plasje", kanowedstrijden in de Bergse Plas tegenover het Plaswijckpaviljoen en 's avonds een groot feest op de Bergse Plas tegenover de Langeweg, dit inclusief vuurwerk.

Ook voor ouderen waren er voorzieningen in Hillegersberg. Huize Bertha, bijvoorbeeld, was in de jaren '30 gevestigd op de Kleiweg 179, maar verhuisde naar de Straatweg 227-231. In 1938 adverteerde directeur A.J. van der Wal dat "deze inrichting voor rust- en hulpbehoevenden" was uitgebreid met een afdeling speciaal voor o.a. maag- en dieetpatiënten. De panden op de Straatweg zijn nu een Joods monument.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 had ook gevolgen voor Hillegersberg. Er vielen enkele afzwaaiers in Hillegersberg, veel Rotterdammers trokken naar Hillegersberg. Zij werden aanvankelijk in Lommerrijk opgevangen. Veel gezinnen vonden een woning in Hillegersberg.

Werken
Van ouds her bestond het werk uit landbouw, visserij en middenstand. Winkels en nijverheid waren vooral rond de Dorpsstraat en rond de Kleiweg. Ook werd veel 'langs de deuren' verkocht door venters. In 1936 telde Hillegersberg 77 winkels, waarvan 47 in de Dorpsstraat. In 1933 werd voor de beide straten één winkeliersvereniging opgericht. Zij gaf het blad 'De Bergsche Middenstander' uit. Begin 1937 opende Wim Carlier een winkel voor kantoor-, school- en schildersbenodigdheden. Het was een van de eerste speciaalzaken, de zaak richtte zich niet alleen op klanten uit de buurt zoals de andere winkels dat deden, maar richtte zich op de wijdere omgeving. Over de kapper Wout Jansen ging het verhaal dat hij maar twee modellen kende: kaal en kaal met een klein kuifje. 

Het 'bedrijfsleven' ontdekte Hillegersberg, maar er bleef een belangrijk agrarisch accent. Tot in de jaren '30 waren de koeien van boer Poot een bezienswaardigheid. De koeien graasden op een grote weide aan de Ringdijk, maar de stallen waren bij de boerderij Vruchtenburg aan de Straatweg. De koeien maakten sjokkend regelmatig 'een rondje Achterplas'. De broodvisser op de Bergse Voorplas, Bram Oranje, hing zijn netten uit voor zijn huis aan de Strekkade 29. De molenaar maalde: o.a. in de korenmolens "De Korenbloem" aan de Bergse Achterplas en "De Vier Winden" aan de Terbregse Rechter Rottekade en (tot ca. 1905) in de oliemolen De Koot in het Kleiwegkwartier.

Veel bedrijven van zeer verschillende aard vestigden zich in Hillegersberg. Zij zorgen decennia lang voor een goede werkgelegenheid. Zo'n bedrijf was o.a. de in 1921 opgerichte Hillegersbergsche Houthandel. Deze houthandel vestigde zich aan de Rechter Rottekade. Nabij de Ceintuurbaan kwamen industriële kantoren en bedrijven, zoals in 1930 het hoofdkantoor van de Elektriciteitsmaatschappij Electrostroom v/h H. Doyer & Co. (vanaf 1972 Brown Boveri Nederland).  In 1926 vestigde zich de Hoef- huis- en rijtuigsmederij J. Cossee in de Bergsche Dorpsstraat. Zoon Henk en kleinzoon Jos zetten het bedrijf voort en breiden het uit. Het bedrijf moest verhuizen in 2021. In 1938 vestigde de Sunrise limonadefabriek zich aan de Adriaan van Matenesselaan.

In Hillegersberg waren en bleven veel publiek trekkende 'uitspanningen' als Plaats Lommerrijk en Plaswijck . Op zomerse dagen kwamen vele duizenden bezoekers en werden extra trams met bijwagen naar en van Hillegersberg ingezet. Een grote slag was echter het afbranden op 23 januari 1934 van het logement "Het wapen van Holland" ("Freericks" in de volksmond). Aan herbouw viel niet te denken.