Hillegersberg van het ontstaan tot 1817: geografisch en bestuurlijk

Geografisch: het gebied
Volgende de legende is Hillegersberg ontstaan op de zandheuvel die ontstond doordat het schort van de reuzin Hillegonde, dat gevuld was met zand scheurde. Maar dat is 'slechts' een legende... De eerste bewoning op de plaats waar nu Hillegersberg is, is op de donk, een zandrug die die de voortzetting is van het pleistoceen. Het eerste gedeelte van de donk is ongeveer 250 meter lang en ten hoogste 75 meter breed. Hier is de kern van het dorp Hillegersberg. In de top van het donkzand is een bewoningslaag uit de Nieuw Steentijd (5300 - 2000 voor Christus) vastgesteld. Aardewerk, afval van vuurstenen werktuigen en houtskool zijn daarbij verzameld.

De bodem van het Schiegebied bestaat uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen.

Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werd het Schiegebied dan ook regelmatig geteisterd door stormvloeden. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt. Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied.

Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw. Al in de late Middeleeuwen ging men turfsteken. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk toen de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren.

Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door.  Een groot gedeelte van het grondgebied van het ambacht van Hillegersberg stond onder water. Aan weerszijden van de Bergh Weg en ten noorden van de dorpskern waren grote veenplassen ontstaan. Het oostelijk deel van Hillegersberg bestond grotendeels uit meren, o.a. de Ommoorden.

In 1765 namen de Ambachtsbesturen van Bleiswijk, Hillegersberg en Rotteban het besluit om de nagenoeg uitgeveende plassen droog te leggen. Zij verzochten daartoe de Staten van Holland om octrooi. De Rotte zou dienen als afvoer van het uit te malen water. In 1769 werd het octrooi verleend en in 1772 werd het werk opgedragen. Het plan voor het droogleggen van de plassen bestond uit een grote droogmakerij voor de Boterdorpse polder en aansluitende polders richting Bleiswijk en een tweede plan voor de droogmakerij van Schiebroek en de polder 110-Morgen. Het droogmaken was in 1779 vrijwel gereed. De kleinere Bergse plassen vielen buiten de grote droogmakerijen. Er zijn nog wel plannen voor het droogmaken van deze plassen gemaakt, maar deze zijn niet uitgevoerd.

De naam Hillegersberg
Hillegersberg is mogelijk vernoemd naar Hildegard van Vlaanderen, echtgenote van graaf Dirk II van Holland en West-Friesland (Dirk II, of Diederik II, ca. 932 – Egmond, 6 mei 988). Deze graaf was in de tiende eeuw eigenaar van Bergan, dat in Oudhollands versterkte plaats of gehucht betekent. In 1028 bevestigde keizer Konraad in een oorkonde de gift door de bisschoppen Ansfridus en Adelbold (van de Amersfoortse abdij van Hohorst) van het dorp Bergan aan de abdij van St. Paulus te Utrecht. Dit is de oudste, erkende, schriftelijke vermelding van Hillegersberg.

Bestuurlijk: het ambacht Hillegersberg
De eerste schriftelijke melding van Hillegersberg stamt uit 1018. Het dorp werd van oudsher bestuurd door een ambachtsraad. Tot aan het einde van de 16e eeuw beschikte het bestuur niet over een eigen raadhuis. Vergaderingen, bekendmakingen en andere aangelegenheden vonden in of bij de Hillegondakerk plaats. Doordat deze bijeenkomsten in het openbaar gehouden werden, kon het zijn dat bij bepaalde besluitvormingen en bekendmakingen veel volk aanwezig was. Dat leidde nog wel eens tot ongeregeldheden …

Op 2 november 1269 verleent Floris V, graaf van Holland, aan zijn leenman Vrancke Stoop (Frank Stoop) erfelijke rechten van Hillegersberg (de tekst van het charter van Floris V -de oorkonde- is bewaard gebleven). Het 'kasteel' te Hillegersberg en de daaraan verbonden 'heerlijke rechten' vervielen aan zijn dochter Aleida Stoop. Vervolgens viel het aan zijn kleindochter Hildegunde van de Velde toe. De erfelijke rechten mochten worden verkocht, dit gebeurde later ook. In de Ambachtsheerlijkheid werd het gezag uitgevoerd door een schout, die daartoe door de landheer was benoemd. De schout was openbare aanklager, sprak recht bij eenvoudige zaken en vervulde bestuurstaken. Hij werd daarbij bijgestaan door schepenen, die uit de plaatselijke bevolking werden benoemd voor een periode van één of twee jaar. De rol van schout en schepenen is te vergelijken met het huidige gemeentebestuur met een college van burgemeester en wethouders.

Rond 1300 was geheel het Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Het huidige Hillegersberg maakte deel uit van de nog veel grotere ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg Bergschenhoek en Rotteban. Dit was het grootste ambacht van Schieland. Voor zover valt na te gaan, blijkt de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge.

In 1575 kreeg Rotterdam het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Dit was een begeerd voorrecht omdat het de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg en Moordrecht impliceerde. Hierdoor werd Rotterdam eigenaar van de heerlijke rechten en met name van het benoemingsrecht in de aan de stad grenzende ambachtsheerlijkheden.

De zetel van het ambacht was gevestigd te Hillegersberg. Men beschikte niet over een eigen lokaliteit: er werd gebruik gemaakt van de Hillegondakerk. Jaarlijks op 1 juli vond daar ook de financiële verantwoording plaats ten overstaan van de ingelanden. Op 29 juni 1599 werd besloten om over te gaan tot het bouwen van een raadhuis ‘ten eynde met meerder respect en beter ordere alle saecken 't seyt van justitie en regieringh te verhandelen’.

In juni 1752 werd besloten het pand te slopen en te vervangen, vanwege bouwvalligheid. Het nieuwe raadhuis kwam op dezelfde plaats te staan en werd naar verluidt gebouwd op de bestaande funderingen. Het werd uitgevoerd in een gepleisterd blokpatroon. Op het met pannen bedekte dak bevindt zich een dakruiter met windvaan in de vorm van de legendarische Hillegondafiguur van de hand van Johannes Specht (1750). Hoewel het raadhuis in 1921 zijn functie verloor, staat het er nog altijd. De gedenksteen in de gevel (1752, door jonkvrouw Lucia Steenlack) getuigt hiervan.

In maart 1795 werd de schout, Johan Steenlack, afgezet en vervangen door de Fransgezinde Dirk Hopper Pzn. Hiermee kwam een eind aan de 'heerlijke rechten' en daarmee aan de invloed van Rotterdam in het bestuur van Hillegersberg. In 1811 werd de gemeente gesplitst in de gemeenten Hillegersberg en Bergschenhoek.

Koning Willem I herstelde de 'heerlijke rechten' enigszins in 1814. In 1848 kwamen als gevolg van grondwetswijziging de rechten tot benoeming van personen in openbare ambten echt ten einde. De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 24 november 1851 de Heerlijkheid van Hillegersberg te verkopen. De verkoop vond plaats bij openbare veiling op 21 en 28 juli 1853. De Heerlijkheid van Hillegersberg werd gekocht door de Amsterdamse predikant J.J. van Voorst voor f. 650. De heerlijkheid is tot vandaag de dag in particulier bezit.