Hillegersberg, van het ontstaan tot 1817

Hillegersberg is ontstaan op het zand dat een voortzetting van het pleistoceen was, in een machtige opduiking. Daar is mogelijk al rond 950 een burcht en een kerk gebouwd. Bij opgravingen zijn vuursteenvondsten gedaan die duiden op prehistorische bewoning. Hillegersberg werd tot 1817 bestuurd vanuit de positie als ambachtsheerlijkheid (van particulieren dan wel van de gemeente Rotterdam). Tot de 18e eeuw vond rond Hillegersberg op grote schaal veenwinning plaats. Door onderspoeling veranderden de veenafgraverijen in een plassengebied. Grote stukken zijn drooggemalen, maar de Bergse Voor- en Achterplas zijn gebleven.

Achtereenvolgens komen aan de orde:
* Hillegersberg, van ontstaan tot 1817: bestuurlijk en geografisch
* Hillegersberg, van ontstaan tot 1817: wonen en werken

Hillegersberg, van het ontstaan tot 1817: bestuurlijk en geografisch

Geografisch: het gebied
Volgende de legende is Hillegersberg ontstaan op de zandheuvel die ontstond doordat het schort van de reuzin Hillegonde, dat gevuld was met zand scheurde. Maar dat is 'slechts' een legende... De eerste bewoning op de plaats waar nu Hillegersberg is, is op de donk,, een zandrug die die de voortzetting is van het pleistoceen. Het eerste gedeelte van de donk is ongeveer 250 meter lang en ten hoogste 75 meter breed. Hier is de kern van het dorp Hillegersberg. In de top van het donkzand is een bewoningslaag uit de Nieuw Steentijd (5300 - 2000 voor Christus) vastgesteld. Aardewerk, afval van vuurstenen werktuigen en houtskool zijn daarbij verzameld.

De bodem van het Schiegebied bestaat uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen.

Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen. In de twaalfde eeuw werd het Schiegebied dan ook regelmatig geteisterd door stormvloeden. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt. Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied.

De naam Hillegersberg
Hillegersberg is mogelijk vernoemd naar Hildegard van Vlaanderen, echtgenote van graaf Dirk II van Holland en West-Friesland (Dirk II, of Diederik II, ca. 932 – Egmond, 6 mei 988). Deze graaf was in de tiende eeuw eigenaar van Bergan, dat in Oudhollands versterkte plaats of gehucht betekent. In 1028 bevestigde keizer Konraad in een oorkonde de gift door de bisschoppen Ansfridus en Adelbold (van de Amersfoortse abdij van Hohorst) van het dorp Bergan aan de abdij van St. Paulus te Utrecht. Dit is de oudste, erkende, schriftelijke vermelding van Hillegersberg.

Bestuurlijk: het ambacht Hillegersberg
De eerste schriftelijke melding van Hillegersberg stamt uit 1018. Het dorp werd van oudsher bestuurd door een ambachtsraad. Tot aan het einde van de 16e eeuw beschikte het bestuur niet over een eigen raadhuis. Vergaderingen, bekendmakingen en andere aangelegenheden vonden in of bij de Hillegondakerk plaats. Doordat deze bijeenkomsten in het openbaar gehouden werden, kon het zijn dat bij bepaalde besluitvormingen en bekendmakingen veel volk aanwezig was. Dat leidde nog wel eens tot ongeregeldheden …

Op 2 november 1269 verleent Floris V, graaf van Holland, aan zijn leenman Vrancke Stoop (Frank Stoop) erfelijke rechten van Hillegersberg (de tekst van het het charter van Floris V -de oorkonde- is bewaard gebleven). Het 'kasteel' te Hillegersberg en de daaraan verbonden 'heerlijke rechten' vervielen aan zijn dochter Aleida Stoop. Vervolgens viel het aan zijn kleindochter Hildegunde van de Velde toe. De erfelijke rechten mochten worden verkocht, dit gebeurde later ook. In de Ambachtsheerlijkheid werd het gezag uitgevoerd door een schout, die daartoe door de landheer was benoemd. De schout was openbare aanklager, sprak recht bij eenvoudige zaken en vervulde bestuurstaken. Hij werd daarbij bijgestaan door schepenen, die uit de plaatselijke bevolking werden benoemd voor een periode van één of twee jaar. De rol van schout en schepenen is te vergelijken met het huidige gemeentebestuur met een college van burgemeester en wethouders.

Rond 1300 was geheel het Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Het huidige Hillegersberg maakte deel uit van de nog veel grotere ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg Bergschenhoek en Rotteban. Voor zover valt na te gaan, blijkt de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge.

In 1575 kreeg Rotterdam het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Dit was een begeerd voorrecht omdat het de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg en Moordrecht impliceerde. Hierdoor werd Rotterdam eigenaar van de heerlijke rechten en met name van het benoemingsrecht in de aan de stad grenzende ambachtsheerlijkheden. Op 29 juni 1599 werd besloten om over te gaan tot het bouwen van een raadhuis ‘ten eynde met meerder respect en beter ordere alle saecken 't seyt van justitie en regieringh te verhandelen’.

In juni 1752 werd besloten het pand te slopen en te vervangen, vanwege bouwvalligheid. Het nieuwe raadhuis kwam op dezelfde plaats te staan en werd naar verluidt gebouwd op de bestaande funderingen. Het werd uitgevoerd in een gepleisterd blokpatroon. Op het met pannen bedekte dak bevindt zich een dakruiter met windvaan in de vorm van de legendarische Hillegondafiguur van de hand van Johannes Specht (1750). Hoewel het raadhuis in 1922 zijn functie verloor, staat het er nog altijd. De gedenksteen in de gevel (1752, door jonkvrouw Lucia Steenlack) getuigt hiervan.
In 1798 (de Bataafse omwenteling) kwam een eind aan 'de heerlijke rechten'. Koning Willem I herstelde de rechten enigszins in 1814, maar in 1848 kwamen als gevolg van grondwetswijziging de rechten tot benoeming van personen in openbare ambten echt ten einde. De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 24 november 1851 de heerlijkheid van Hillegersberg te verkopen. De verkoop vond plaats bij openbare veiling op 21 en 28 juli 1853. De Heerlijkheid van Hillegersberg is tot vandaag de dag in particulier bezit.

In 1817 werd Hillegersberg een zelfstandige gemeente.

Hillegersberg, van het ontstaan tot 1817: wonen en werken

De eerste bouw van huizen en wegen
Op de donk, de zandrug die een voortzetting is van het pleistoceen, stond een woontoren (ook aangegeven als burcht, donjon en kasteel), Huis ten Berghe, en een kerkgebouw. De burcht van Hillegersberg- voorzien van slotgracht en omwalling - is van vòòr 1028. De stichting van de kerk van Hillegersberg (nu de Hillegondakerk) dateert tenminste uit de vroege elfde eeuw, maar is mogelijk nog ouder. Kort na 1150 is de kerk waarschijnlijk herbouwd in een groot formaat stenen. Ca. 1240 werd naast de parochiekerk op de donk een stenen woontoren gebouwd. Bewoning concentreerde zich niet alleen langs waterlopen als de Rotte en op kreekruggen zoals de Kleiweg, maar ook langs ontginningsassen als de Straatweg en op donken.

Het te ontginnen gebied werd opgedeeld in 'copen' (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen. De middeleeuwse polderstructuren bestaan vandaag de dag nog steeds, zoals de Rotte die dwars door het grondgebied stroomt en de Vlietsloot die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormt.

De Kleiweg (de naam “Cleyweg” wordt overigens pas voor het eerstgenoemd in 1419) was onderdeel van een oude zeedijk die al in de tijd van de Romeinen bestond, de weg maakte in de 12e eeuw deel uit van de zeewering die werd aangelegd door Egmonder monniken, bijgestaan door hun medebroeders van de Sint Paulusabdij uit Utrecht, tussen Gouda en Vlaardingen. In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aange¬legd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren. Het gehele Schiegebied werd ontgonnen en opgedeeld in ambachten.

Ook een aantal historische routes is tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar, zoals de ‘Bergh Weg’ (de tegenwoordige Straatweg, Bergse Dorpsstraat en Grindweg), de Strekvaart en Strekkade, de twee Molensloten en de Buyte Wateringh (Ringvaart). De Bergweg was ontstaan als ontginningsas en werd in 1387 voor het eerst als weg genoemd. Het was vanouds de weg van Rotterdam naar Bergschenhoek. Aan weerszijden van de Bergweg, met name tussen Rotterdam en Hillegersberg, lagen enkele omvangrijke buitenplaatsen uit de zeventiende eeuw. Tussen Hillegersberg en Bergschenhoek stonden boerderijen en landarbeiderswoningen.

Ter hoogte van de kerk op de donk, langs de tegenwoordige Bergse Dorpsstraat, had zich een kleine bewoningskern ontwikkeld. De Strekvaart en Strekkade dateren tenminste uit de vroege zeventiende eeuw. De vaart en kade vormen de grens tussen de Berg- en Broekpolder en de Boterdorpse Polder en waren van belang voor de waterhuishouding. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen beide polders ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders inundeerden. De Strekvaart was bovendien een transportroute.

Werk en leefomstandigheden; turfwinning
Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw. Al in de late Middeleeuwen ging men turfsteken. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk toen de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren.

Vanaf de 15 eeuw tot aan ca. 1730 nam het aantal inwoners van Hillegersberg gestadig toe, het klom van ca. 500 naar ca. 3.700. Zo'n driekwart van de Hillegersbergenaren woonden ten westen van de Rotte. Het dorp Hillegersberg was een kerkelijk en bestuurlijk centrum voor de regio, maar al in de 16e eeuw groeide de bevolking rond Bergschenhoek meer dan rond het dorp Hillegersberg. De belangrijkste inkomstenbron was de turfwinning in de noordelijke veenderijen: Bergschenhoek en de Ommoorden.  Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. Een groot gedeelte van het grondgebied van het ambacht van Hillegersberg stond onder water. Aan weerszijden van de Bergh Weg en ten noorden van de dorpskern waren grote veenplassen ontstaan.

Toen in de loop van 18e eeuw het land vrijwel was weggeveend, raakte het oude dorp Hillegersberg meer en meer bevolkt en werd weer het zwaartepunt. In 1742 werkten een kleine 60 personen in de textiel en waren er zo'n 20 schoenmakers en 6 barbiers. Toen de vervening ten einde liep nam de armoede snel toe. Vooral door de vestiging van een aantal notabele Rotterdamse families op buitenplaatsen en door de bouw van herenhuizen ontstond een verkeerd beeld over de welwaart van Hillegersberg. De bevolking nam af, in 1795 telde Hillegersberg 3.005 inwoners, ca. 1820 waren het er nauwelijks 2.400.

Aan het eind van de 18e eeuw kwam in en om het dorp enige industie tot ontwikkeling: naast de tientallen watermolens waren er industriemolens gebouwd: enkele snuifmolens ten zuiden van het dorp, een pelmolen bij De Koot en een papiermolen aan de Strekkade. Langs de Rotte waren enkele scheepsbouwers gevestigd. In het eerste kwart van de 19e eeuw kwam Hillegersberg de economische crisis te boven en nam het bevolkingsaantal weer toe.

De molens: poldermolens, dorpsmolens en industriemolens
In de 15e eeuw zijn twee afwateringssloten (molensloten) gegraven loodrecht op de Rotte. De sloten waterden af op de Rotte door de Broekse Molen (bij het Berg- en Broekse Verlaat, anno 1446, enkele keren vervangen) en de Berchschse Molen (gebouwd in 1587 en in 1648 vervangen door de Prinsemolen). De Buyte Wateringh is nog steeds herkenbaar als de Ringvaart. De molensloten waren ook geschikt voor vervoer over water. Om van de vaarten in de hoger gelegen Rotte te komen werd gebruik gemaakt van een sluis of verlaat. Het Boterdorpse Verlaat vormt de verbinding tussen het water van de Rotte en de Strekvaart naar het dorp Hillegersberg. De Strekvaart werd vroeger druk bevaren. De vaart sloot aan op de "Wateringe" langs de Grindweg en werd gebruikt voor de beurtvaart, voor transport van turf, voor veevoer en mesttransport. Op de grens van Hillegersberg en Bergschenhoek, waar de Grindweg overgaat in de Bergweg-Zuid lag een ophaalbrug. Dit was "de Splintersebrug" genoemd naar de aldaar gevestigde scheepswerf van Jacob Splinter. Vóór de droogmaking van de Boterdorpsepolder was hier een doorvaart in de weg voor de turfwinning met een vaste brug, later werd het de ophaalbrug die werd uitgevoerd door de familie Splinter.

De Prinsenmolen werd tot de 18e eeuw nog Berchsche molen genoemd. Onduidelijk is of de naamsverandering komt door de overnachting van de jonge prins Willem III of een bezoek van stadhouder Willem IV in 1747. Beide molens speelden een rol bij de droogmaking van uitgeveende plassen bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de broodgraanprijzen stegen. In 1772 werd een begin gemaakt met het droogmaken en bedijken van uitgeveend land en water. Tegelijk met de Schiebroekse Polder werd in de polder Berg en Broek een kleinere polder drooggelegd. Deze kleine polder was in 1780 drooggemalen en kreeg de naam Polder 110 Morgen. Om het maalvermogen van de polder Berg en Broek te vergroten is in 1881 het stoomgemaal Berg en Broekse Verlaat aan de Bergse Rechter Rottekade gebouwd en is de Broekse molen vervangen. De Prinsenmolen heeft tot 1966 zijn bemalingstaak behouden, toen kwam een elektrisch gemaal aan de Bergse Rechter Rottekade.

Er bestonden geen plannen om de Bergse Plassen droog te maken wegens gebrek aan capaciteit van de bestaande machinerie. De Voorplas stond door middel van twee sluizen in verbinding met de Rotte. Een ervan was het Boterdorps Verlaat (1740), gelegen bij de uitmonding van de Strekkade en de Rotte. Rondom deze schutsluis ontstond aan weerszijden van het water een gehucht met onder meer enkele woonhuisjes, een boerderij, een herberg en scheepswerfjes.

In 1779 is de papiermolen 'De Vriendschap' door Frederik Herpst gebouwd langs de Strekkade (papierfabriek Van der Poot en Herpst). Deze molen brandde af op 15 april 1847, werd herbouwd, maar brandde na blikseminslag weer af op 13 juni 1882. Even verderop aan de Strekkade werd in 1793 de papiermolen 'Het Lam' gebouwd voor Pieter Kleiweg en Arie Hoogerbrugge. Ook deze molen brandde af (1826) en werd herbouwd (als 'De Feniks') en brandde ook weer af: op 17 november 1881.

Langs de Straatweg stond een viertal "dorpsmolens". Deze molens werden gebruikt voor het malen van graan, het pellen van gerst, het maken van snuiftabak en het persen van oliehoudende zaden. Een van deze molens was ‘De Korenbloem’ aan de Molenwerf bij de Bergse Achterplas. Een bekende oliemolen was de in 1915 gesloopte molen ‘De Koot’ op de hoek van de Bergse Rechter Rottekade en de Kootsekade. De dorpskorenmolen ‘De Vier Winden’ in Terbregge is gebouwd in 1776 als vervanging van de molen die hier, evenals een groot deel van het dorp, tijdens de grote brand van Terbregge in 1775 verloren is gegaan.

Naast de poldermolens en de dorpsmolen waren er ook "industriemolens". Langs de Rotte stonden twee houtzaagmolens, die de over het water aangevoerde boomstammen verwerkten tot planken en balken. Ook stonden in Hillegersberg twee papiermolens langs de Strekkade. De bij de molens horende arbeidshuisjes zijn behouden en verbouwd tot woningen aan de Bergse Voorplas. Aan het einde van de Strekkade bij de Dorpsstraat stond ook nog een Schelpzandmolen, waar schelpen werden vermalen tot schuurmiddel.

Agrarische gemeenschap, later ook buitenplaatsen
Hillegersberg bestond uit een dorpskern en was overigens een agrarische gemeenschap: landbouw en vooral veeteelt. Het oude raadhuis staat vlakbij de donk, dateert uit 1752 en heeft classicistische elementen zoals een symmetrische en drieledige opbouw met een plint, een gepleisterde gevel met schijnvoegen om natuursteen te imiteren en een kroonlijst. Zo rond 1800 was de Strekvaart een druk bevaren water, waar scheepjes vanaf de Grindweg naar het Boterdorpse Verlaat voeren. Aan de Grindweg lagen veel boerenbedrijven die zorgden voor de vracht: boter, kaas en melk. Bij het Verlaat werd de vracht overgeladen in grotere schepen die vervolgens naar de Botersloot in Rotterdam voeren. Daar werden de waren verhandeld.

De zeventiende- en achttiende-eeuwse buitenplaatsen combineerde de functies wonen en werken. De buitenplaatsen bestonden uit een woonhuis en bijgebouwen met een bedrijfsfunctie zoals touwslagerijen of scheepsmakerijen. De buitenplaatsen droegen namen als Lommerrijk (1665), Bergzicht (1726), Visvreugd (1745), Lamsrust (1745), Bijdorp (1800), Zeevreugd (1802) en Haagwijk (1804). In 1799 werd het logement "Het wapen van Holland" opgericht. Dit logement (later ook bekend als "Freericks") zou uitgroeien tot de bekendste uitspanningen van Hillegersberg. Op de achterterreinen stonden molens (korenmolens, snuifmolens, pelmolens). De industriële functie werd uitgebreid langs de Strekkade waar twee papiermolens en arbeiderswoningen stonden.