Schiebroek van het ontstaan tot 1817: geografisch en bestuurlijk

Geografisch
De bodem van het Schiegebied bestond uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt.

In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied. Van het grondgebied van Schiebroek restte alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. In opdracht van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek maakte een landmeter van Schieland in 1771 een plan voor de droogmaking van de Schiebroekseplas.

Op 5 augustus 1772 werd octrooi voor de drooglegging van de veenplassen verleend. Er werd een begin gemaakt met de droogmaling van de Schiebroekseplas door om het gebied een dijk aan te leggen en  door de Buyte Watering uit te graven tot een ringvaart. Het oostelijk deel van de dijk is de huidige Ringdijk. Het ontwateringssysteem van de Schiebroekse droogmakerij bestond uit een ringvaart als buitenboezem om de middeleeuwse polder.

Loodrecht op de ringdijk en ringvaart (langs de tegenwoordige Wilgenlei) werd een molendriegang aangelegd. De drie schepradmolens pompten het water uit de droogmakerij naar de ringvaart die in verbinding staat met de Bergse Plassen en de Rotte. Elke molen kon het water twee meter omhoog brengen. De ondermolen stond bij de hoek van de huidige Kastanjesingel, de 'Tussenmolen' was bij de hoek Meidoornsingel en de bovenmolen stond bij de Ringdijk en sloeg het water uit op de Bergse Plas. De molendriegang met molensloot werd later Molensingel en is nu Wilgenlei. Het water uit de diepe veenplas werd via de Bergse plassen vervolgens uitgeslagen op de Rotte met behulp van de Prinsemolen en de Broekse molen (bij het Berg en Broekseverlaat). In 1780 was de Schiebroekseplas  drooggemalen. De Schiebroekse Polder (558 ha.) ligt ruim vijf meter onder NAP. De polder had tochtsloten, haaks op de molensloot. De structuur van de tochtsloten is bewaard gebleven: de Meidoornsingel, de Kastanjesingel en de Lindesingel. In 1913 werd een elektrisch gemaal gebouwd; de drie molens werden in 1914 gesloopt.

Bestuurlijk
Het gebied Schiebroek werd in 1590 een ambacht (rechtsgebied) dat tot het Baljuwschap Schieland behoorde. Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied. De uitgave van gronden viel onder de verantwoordelijkheid van de graven.

Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag vertegenwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende. Schiebroek was oorspronkelijk een ambachtsheerlijkheid die reeds in de 14e eeuw bestond. Ze kwam in die tijd voor onder de naam Broek (= moerasland). Vanaf 1433 zijn de namen van de Schiebroekse ambachtsheren bekend. In dat jaar werd Goeswijn  Michielsz ambachtsheer van Adriaen van Matenesse. Bestuurlijk viel het gebied onder de Ambachtsheerlijkheid (rechtsgebied) van Overschie en Schiebroek. Het gebied Schiebroek werd in 1590 een ambacht dat tot het Baljuwschap Schieland behoorde. Het gebied bestond uit een drooggemaakte polder (1772-1779) en een woonbuurtje aan de Kleiweg. De schout (destijds bestuursambtenaar, later hoofd van het gerecht en van politie) en schepenen bestuurden het gebied. Uit 1803 dateert een reglement van het 'gemeentebestuur'. De contouren van de huidige woonwijk Schiebroek vallen samen met de vroegere begrenzing van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek.

De substituut secretaris van Hillegersberg, de 'burger' Bernard de la Faille was schout en secretaris van Schiebroek van 1778-1795. De ambachtsheerlijkheid Schiebroek werd na de Franse omwenteling (1795) een eigendom, gekocht door de ingelanden van Schieland. Schiebroek was op 1 januari 1812 toegevoegd aan Overschie. In april 1817 werd Schiebroek een zelfstandige gemeente.