Schiebroek van het ontstaan tot 1817: geografisch en bestuurlijk

Geografisch
De bodem van het Schiegebied bestond uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt.

In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied. Van het grondgebied van Schiebroek restte alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. In opdracht van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek maakte een landmeter van Schieland in 1771 een plan voor de droogmaking van de Schiebroekseplas. Op 5 augustus 1772 werd octrooi voor de drooglegging van de veenplassen verleend. Door een molendriegang werd de Schiebroekseplas in 1780 drooggemalen en ontstond de Schiebroeksepolder. In 1913 werd een elektrisch gemaal gebouwd; de drie molens werden in 1914 gesloopt.

Bestuurlijk
De oorsprong van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek ligt in het duister. De eerste mededelingen hieromtrent worden gedaan in de grafelijke rekeningen van Holland over het tijdvak 1308-1346, nl. in de ontvangsten van de lente-en herfstbeden uit de ambachten Schie en Goude. Hierin komen o.a. voor Schie, Haren Odgiers ambocht en Broek. Het is bekend dat met Schie het ambacht Ouderschie, en met Haren Odgiers ambocht den Hogenban wordt bedoeld.

Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag vertegenwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende. Schiebroek was oorspronkelijk een ambachtsheerlijkheid die reeds in de 14e eeuw bestond. Ze kwam in die tijd voor onder de naam Broek (= moerasland). 
 
Broek is de latere ambachtsheerlijkheid Schiebroek.De benaming Schiebroek komt reeds in 1317 voor, maar veelal heeft men het steeds over Broek. Uit hetzelfde jaar is een aantekening over Enghebrecht van Voerscoten, rentmeester van Noordholland, over uitgegeven onkosten voor de bedijking van "mijns heren lande in den Broec", gelegen in Schieland. Mogelijk bezat de rentmeester zelf deze grond, want later spreekt hij over Heer Enghebrechts broeke. Dit gebied wordt herhaaldelijk aan verschillende mensen verlijd; in deze jaren vormde het nog een geheel. Omstreeks 1344 blijkt het in drieën te zijn gesplitst, nl. Enghebrechts ambocht, Gherets ambocht en Philips ambocht. Twintig jaar later spreekt men over Heer Daniels broek, den Broek en Heer Enghebrechts broek. In het begin van de 15e eeuw zijn deze gebieden weer samengevoegd en als een geheel verlijd. Vanaf 1433 zijn de namen van de Schiebroekse ambachtsheren bekend. In dat jaar werd Goeswijn  Michielsz ambachtsheer van Adriaen van Matenesse. Bestuurlijk viel het gebied onder de Ambachtsheerlijkheid (rechtsgebied) van Overschie en Schiebroek. Het gebied Schiebroek werd in 1590 een ambacht dat tot het Baljuwschap Schieland behoorde. Na tenslotte in het bezit van het geslacht Van Assendelft te zijn gekomen, wordt deze heerlijkheid op 11 october 1596 verlijd aan Pieter Maertensz., in naam en ten behoeve van de gemene ingelanden van Schiebroek, bij opdracht van Johan van Assendelft.

Schiebroek bestond uit een drooggemaakte polder (1772-1779) en een woonbuurtje aan de Kleiweg. De schout (destijds bestuursambtenaar, later hoofd van het gerecht en van politie) en schepenen bestuurden het gebied. De substituut secretaris van Hillegersberg, de 'burger' Bernard de la Faille was schout en secretaris van Schiebroek van 1778-1795. De ambachtsheerlijkheid Schiebroek werd na de Franse omwenteling (1795) een eigendom, gekocht door de ingelanden van Schieland. Uit 1803 dateert een reglement van het 'gemeentebestuur'. De contouren van de huidige woonwijk Schiebroek vallen samen met de vroegere begrenzing van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek.

Gedurende het tijdvak 1811-1817 is Schiebroek verenigd  geweest met Overschie en Hogenban. In april 1817 werd Schiebroek een zelfstandige gemeente. Ook later zijn pogingen aangewend om tot hereniging te komen. Zo is op 14 december 1852 een ontwerp tot vereniging van Schiebroek met Overschie ingediend. Deze had 1 juli 1853 moeten ingaan en 1 januari 1854 in werking moeten treden, doch het plan vond geen doorgang. Eveneens niet doorgegaan is het ontwerp tot vereniging van Schiebroek met Hillegersberg van 24 januari 1854.

Waterstaatkundig behoort Schiebroek onder het hoogheemraadschap van Schieland. De polder Schiebroek besloeg nagenoeg het gehele grondgebied van deze gemeente. Eigenlijk was dit gebied vroeger een grote veenplas, die vanaf 1772 werd drooggemaakt. In 1860 werd de polder Schiebroek verenigd met de polders Berg en Broek en de 110 morgen onder Hillegersberg. De nieuwe polder bestond uit drie afzonderlijke waterstaatkundige delen en droeg de naam "Vereenigde Polders Schiebroek, Berg en Broek en de 110 morgen". Het 'dorp' Schiebroek besloeg alleen het gedeelte, dat tegenwoordig gevormd wordt door de strook huizen tussen de Kleiweg en de overzijde van de Erasmussingel.