Schiebroek van het ontstaan tot 1817: wonen en werken

Wonen
Bewoning vanaf de achtste en negende eeuw in het gebied dat nu Schiebroek is, concentreerde zich  langs waterlopen als de Rotte en langs ontginningsassen als de Kleiweg. Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen.

Het na de stormvloed van 1163 te ontginnen gebied werd opgedeeld in zogenoemde copen (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen. In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aangelegd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren.

De middeleeuwse polder Schiebroek bevat structuren die vandaag de dag nog steeds bestaan, zoals de Vlietsloot, de Kleiweg en de Wildersekade. De Vlietsloot is een veenstroom die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormde. De Kleiweg volgt een oude kreekrug - een met zand gevulde getijdegeul - tussen de Schie en de Rotte. Parallel aan de kreekrug liep mogelijk een dijk die deel uitmaakte van de dijkengordel die in de twaalfde en dertiende eeuw werd aangelegd. Deze dijk zou hebben aangesloten op de oudste, veronderstelde dam in de Rotte. Voor zover bekend, werd de Kleiweg voor het eerst in 1419 genoemd: Cleyweg. Ook werd in deze tijd geschreven over “Sciebrouck”. De Wildersekade is een kade die tenminste uit de vroege zeventiende eeuw dateert. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen de Schiebroekse Polder en Boterdorpse Polder ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders werden overstroomd.

In 1632 telde Schiebroek 54 huizen, in 1732 waren het er 91. De huizen staan niet bijeen in een dorp, maar verspreid in het gebied. Kerken en buitenplaatsen waren er niet in Schiebroek, maar wel een 'regthuijs', dat overigens niet veel meer dan een herberg is. In de 18e eeuw restte van het grondgebied van Schiebroek als gevolg van de veenafgravingen alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. Langs de Schiebroekseweg en de Kleiweg lagen nog enkele kleine percelen met bebouwing. Na de droogmakerij in 1780 werden er langs de bestaande dijken, de Ringdijk en de Hoge Limiet, enkele boerderijen gebouwd. 

Werken
In de achtste en negende eeuw ontstonden agrarische nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. De bewoners verdienden hun kost met het verbouwen van haver en visvangst. Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw en werd daarom benut voor turfwinning. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk; de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren.

De vraag naar turf bleef groeien en voor de Schielandse plattelandsbevolking was slagturfwinning een belangrijke inkomstenbron. Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied. Droogmaking van uitgeveend plassengebied bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de graanprijzen stegen door de toene­mende vraag naar broodgraan. In 1780 was de Schiebroekseplas drooggemalen. In de Schiebroekse Polder (558 ha. bouw- en weiland) was geleidelijk aan weer plaats voor agrarisch gebruik. 

In Schiebroek waren geen kerken. Er was één school, die door gemiddeld 30 kinderen werd bezocht. Ook waren er geen 'wereldlijke gebouwen', tenzij het Rechthuis aan de Kleiweg als zodanig wordt gezien. Het Rechthuis was een herberg, van oudsher genoemd "De Vleeschpotten van Egypten". Hier was ook een bakker en een slager gevestigd. Op dinsdagen en zaterdagen ging vanaf het Rechthuis een marktschuit naar Rotterdam en terug. Van de oudere bebouwing bestaat nog een voormalige smederij op de Kleiweg 239-241.