Schiebroek, van het ontstaan tot1817

Het ambacht Schiebroek
Van Schiebroek is weinig terug te vinden uit oude tijden, door verhuizingen en branden schijnt vrijwel al het archiefmateriaal verloren gegaan te zijn. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. Eind 15e eeuw is in geschriften sprake van inwoners van "Sciebrouck". In de 17e en 18e eeuw werd door het op grote schaal baggeren van het veen turf gewonnen waardoor Schiebroek grotendeels onder water kwam te staan. Van 1772 tot 1780 werd de Schiebroekseplas drooggemalen. Het ambacht Schiebroek, dat werd bestuurd vanuit de gemeente Overschie, werd in 1817 een zelfstandige gemeente met slechts een paar honderd inwoners.

Achtereenvolgens komen aan de orde:
* Schiebroek van ontstaan tot 1817: geografisch en bestuurlijk
* Schiebroek van ontstaan tot 1817: wonen en werken

Schiebroek, van het ontstaan tot 1817: geografisch en bestuurlijk

Geografie
De bodem van het Schiegebied bestond uit klei-op-veen. In de achtste en negende eeuw ontstonden nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. In de tiende en elfde eeuw stopte de veenvorming, doordat de klei-op-veengebieden ten behoeve van akkerbouw en veeteelt door het graven van sloten werden ontgonnen. De zware stormvloeden in 1134 en 1163 veroorzaakten overstromingen die in grote delen van het Schiegebied opnieuw een kleipakket afzetten. Dit kleipakket heeft de oudste sporen van bewoning en ontginning afgedekt.

In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied. Van het grondgebied van Schiebroek restte alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. In opdracht van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek maakte een landmeter van Schieland in 1771 een plan voor de droogmaking van de Schiebroekseplas. In 1772 verleende het Hoogheemraadschap van Delfland octrooi voor de drooglegging van de veenplassen. Er werd een begin gemaakt met de droogmaling van de Schiebroekseplas door de Buyte Watering uit te graven tot een ringvaart. Het ontwateringssysteem van de Schiebroekse droogmakerij bestond uit een ringvaart als buitenboezem om de middeleeuwse polder. Loodrecht op de ringdijk en ringvaart (langs de tegenwoordige Wilgenlei) werd een molengang aangelegd. Drie molens pompten het water uit de droogmakerij naar de ringvaart die in verbinding staat met de Bergse Plassen en de Rotte. In 1780 was de Schiebroekseplas officieel drooggemalen. De Schiebroekse Polder (558 ha. bouw- en weiland) ligt ruim vijf meter onder NAP.

Bestuur
Het gebied Schiebroek werd in 1590 een ambacht (rechtsgebied) dat tot het Baljuwschap Schieland behoorde. Na de overstroming die door een stormvloed in december 1163 was veroorzaakt, namen de graven van Holland de leiding in de herontginning van het Schiegebied. De uitgave van gronden viel onder de verantwoordelijkheid van de graven.

Rond 1300 was het gehele Schiegebied ontgonnen en opgedeeld in ambachten. Een ambacht was een lokaal gerechtsdistrict waar een schout het landsheerlijk gezag vertegenwoordigde en het bestuur en de lage rechtspraak uitoefende. Schiebroek was oorspronkelijk een ambachtsheerlijkheid die reeds in de 14e eeuw bestond. Ze kwam in die tijd voor onder de naam Broek (= moerasland). Bestuurlijk viel het gebied onder de Ambachtsheerlijkheid (rechtsgebied) van Overschie en Schiebroek. Het gebied Schiebroek werd in 1590 een ambacht dat tot het Baljuwschap Schieland behoorde.
het gebied bestond uit een drooggemaakte polder (1772-1779) en een woonbuurtje aan de Kleiweg. De contouren van de huidige woonwijk Schiebroek vallen samen met de vroegere begrenzing van de ambachtsheerlijkheid Schiebroek.

De substituut secretaris van Hillegersberg, de 'burger' Bernard de la Faille was schout en secretaris van Schiebroek van 1778-1795. De ambachtsheerlijkheid Schiebroek werd na de Franse omwenteling (1795) een eigendom, gekocht door de ingelanden van Schieland. In 1817 werd Schiebroek een zelfstandige gemeente.

Schiebroek, van het ontstaan tot 1817: wonen en werken

Wonen
Bewoning vanaf de achtste en negende eeuw in het gebied dat nu Schiebroek is, concentreerde zich  langs waterlopen als de Rotte en langs ontginningsassen als de Kleiweg. Door de kunstmatige ontwatering kwam het maaiveld steeds lager te liggen. De laaggelegen gebieden waren kwetsbaar voor overstromingen.

Het na de stormvloed van 1163 te ontginnen gebied werd opgedeeld in zogenoemde copen (pachtovereenkomsten). De copen werden gescheiden door ontwateringssloten. De sloten waren niet alleen een manier om de waterhuishouding van het gebied te regelen, maar vormden dus ook de kavelgrenzen. De ontwateringssloten werden haaks op de rivieren, weteringen, paden of nog bestaande ontginningsassen gegraven. Vervolgens werd het gebied bedijkt. Op de koppen van de kavels werden boerderijen gebouwd. Zo ontstond het slagenlandschap met vaak langgerekte, smalle kavels en lintbebouwing langs de paden die evenwijdig aan de dijken liepen. In de loop van de dertiende eeuw breidden de bedijkingen zich uit en werd tenslotte de Schielandse Hoge Zeedijk aangelegd, waardoor de dijken in de oude dijkengordel hun waterkerende functie verloren.

De middeleeuwse polder Schiebroek bevat structuren die vandaag de dag nog steeds bestaan, zoals de Vlietsloot, de Kleiweg en de Wildersekade. De Vlietsloot is een veenstroom die de natuurlijke grens tussen de ambachtsheerlijkheden Schiebroek en Hillegersberg vormde. De Kleiweg volgt een oude kreekrug - een met zand gevulde getijdegeul - tussen de Schie en de Rotte. Parallel aan de kreekrug liep mogelijk een dijk die deel uitmaakte van de dijkengordel die in de twaalfde en dertiende eeuw werd aangelegd. Deze dijk zou hebben aangesloten op de oudste, veronderstelde dam in de Rotte. Voor zover bekend, werd de Kleiweg voor het eerst in 1419 genoemd: Cleyweg. Ook werd in deze tijd geschreven over “Sciebrouck”. De Wildersekade is een kade die tenminste uit de vroege zeventiende eeuw dateert. De kade diende als compartimenteringsdijk tussen de Schiebroekse Polder en Boterdorpse Polder ter voorkoming dat bij een dijkdoorbraak alle polders werden overstroomd.

In 1632 telde Schiebroek 54 huizen, in 1732 waren het er 91. De huizen staan niet bijeen in een dorp, maar verspreid in het gebied. Kerken waren er niet in Schiebroek, maar wel een 'regthuijs', dat overigens niet veel meer dan een herberg is. In de 18e eeuw restte van het grondgebied van Schiebroek als gevolg van de veenafgravingen alleen nog de Schiebroekseweg, de Kleiweg en de Wildersekade: de rest was water. Langs de Schiebroekseweg en de Kleiweg lagen nog enkele kleine percelen met bebouwing.

Werken
In de achtste en negende eeuw ontstonden agrarische nederzettingen op de kleioevers van rivieren en veenstromen. Door voortgaande inklinking werd het gebied te drassig voor akkerbouw en werd daarom benut voor turfwinning. Vanuit de stad Rotterdam bestond een grote vraag naar turf als brandstof. Turf delven door ‘droog steken’ was in dit natte gebied niet meer mogelijk; de grondwaterspiegel was bereikt. De onder het water liggende turf was van goede kwaliteit, maar moest met een andere methode worden gewonnen. Vanaf 1530 ontwikkelde zich een nieuwe vorm van turfwinning: slagturven in het natte, eigenlijk baggeren.

De vraag naar turf bleef groeien en voor de Schielandse plattelandsbevolking was slagturfwinning een belangrijke inkomstenbron. Door het diepe baggeren ging echter steeds meer land verloren. Hoewel de overheid het slagturven verbood omdat het landschap werd aangetast en het slecht voor de gezondheid van de turfstekers was, ging het slagturven gewoon door. In de achttiende eeuw was de Schiebroekse Polder een uitgeveende plas, een van de vele plassen van het Schielands Plassengebied.

Droogmaking van uitgeveend plassengebied bleek uiteindelijk lucratiever te zijn dan slagturfwinning, vooral toen de graanprijzen stegen door de toene­mende vraag naar broodgraan. In 1780 was de Schiebroekseplas drooggemalen. Geleidelijk aan was weer plaats voor agrarisch gebruik van het gebied.

In Schiebroek waren geen kerken. Er was één school, die door gemiddeld 30 kinderen werd bezocht. Ook waren er geen 'wereldlijke gebouwen', tenzij het Rechthuis als zodanig wordt gezien. Het Rechthuis was een herberg, van oudsher genoemd "De vleespotten van Egypten". Hier was ook een bakker en een slager gevestigd. Op disndagen en zaterdagen ging vanaf het Rechthuis een marktschuit naar Rotterdam en terug.