De annexatie van Hillegersberg en Schiebroek

1914 - ca. 1990 Discussie over het zelfstandig bestaan

Feitelijk klopt het wel dat 'De Duitsers' verantwoordelijk waren voor de annexaties van Rotterdam per 1 augustus 1941, zij waren immers de bezettende mogendheid. En het klopt dat er toen bij Hillegersberg en Schiebroek veel verzet was tegen de annexatie.

Maar ruim 25 jaar daarvoor, in 1914, vroeg Hillegersberg zelf om onderdeel van Rotterdam te mogen worden. Dat werd toen door Rotterdam zelf afgewezen. En ook werd het opheffen van Schiebroek lange tijd algemeen zeer logisch gevonden, ook binnen Schiebroek zelf: met nog geen 800 inwoners kan je als gemeente toch niet functioneren?

De annexatie van Hillegersberg en Schiebroek

Annexatieplannen al in 1914...
In het voorjaar van 1914 vond een drukbezochte bijeenkomst plaats in Lommerrijk onder leiding van de fabrikant L. van Helden Tucker met als onderwerp de (al dan niet) wenselijkheid van een annexatie van Hillegersberg door Rotterdam. Als basis voor deze wens werd een aantal argumenten naar voren gebracht: de aaneengroeiing van de bebouwing, de financiële onmacht van de gemeente Hillegersberg ten aanzien van rioolaanleg en woningbouw en de parkplannen (Kralingsebos) van Rotterdam die aansluiten bij de plannen van Hillegersberg (Prinsemolenpark). Ook speelden argumenten van financiële aard: Rotterdam is goedkoper dan Hillegersberg. Tot de voorstanders van annexatie hoorden vooral de forensen, de tegenstanders kwamen vooral uit de agrarische kringen. In mei 1914 vond onder de 'gemeentekiezers' een peiling plaats: van de 524 gemeentekiezers waren 408 stemmen voor annexatie. Ook spraken zeven van de elf gemeenteraadsleden van Hillegersberg zich uit voor annexatie.

De gemeente Hillegersberg richtte een verzoek tot annexatie aan de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Dat verzoek bleef ‘even’ op de plank liggen. In 1919 sprak de gemeenteraad van Rotterdam over Hillegersbergse wens tot annexatie. Binnen de Rotterdamse raad werd de annexatie afgewezen. Hillegersberg was bepaald niet gewild zoals blijkt uit de enkele uitspraken; zo was wethouder De Jong duidelijk: “Wat is Hillegersberg? Een groot aantal hectaren papgrond”. Het raadslid Van Ravesteijn was nog duidelijker: “Het land daar is voor bouwgrond absoluut ongeschikt. Hillegersberg bestaat uit water en papgrond. Hillegersberg is en blijft onbewoonbaar, zoolang het niet door Rotterdam bewoonbaar wordt gemaakt.”. Er werd geen besluit tot annexatie genomen.

Jhr. V.H. de Villeneuve was burgemeester van zowel Hillegersberg als van Schiebroek. Op 1 september 1924 trad hij af om gezondheidsredenen. De vraag was toen actueel: moet er een nieuwe eigen burgemeester voor Hillegersberg en Schiebroek komen of worden Hillegersberg en Schiebroek geannexeerd door Rotterdam? In Schiebroek werd een enquête uitgeschreven. De eventuele benoeming van een nieuwe burgemeester moest maar worden uitgesteld tot de uitslag bekend was. Reeds in oktober 1924 werd F.H. van Kempen geïnstalleerd als burgemeester van Hillegersberg, in november 1924 werd J.P.H. Dhont benoemd als burgemeester van Schiebroek. De annexatie van Hillegersberg en Schiebroek leek (voorlopig) van de baan.

Het gemeentebestuur van Rotterdam gaf in 1924 zijn directeur Plaatselijke werken, De Roode, de opdracht een plan te ontwerpen voor de uitbreiding van de stad vanwege  de havenexploitatie, de zeggenschap over de Nieuwe Waterweg, gebrek aan bouwgrond en ‘hygiënische toestanden’ in randgemeenten. Dit leidde in 1926 tot een brief van Rotterdam aan de provincie met onder andere de passage dat in Hillegersberg de drinkwatervoorziening en de riolering ernstig te wensen over lieten. In 1927 diende B&W van Rotterdam een voorstel tot stadsuitbreiding in. Na uitgebreide discussies besloot de gemeenteraad in januari 1929 met 26 tegen 13 stemmen tot de annexatie van veel van de omliggende gemeenten voor uitbreiding van de haven, woningbouw en recreatiegebied. Bij Rotterdam zouden o.a. Hillegersberg, Schiebroek, Overschie, Schiedam en Vlaardingen moeten komen. Met de betreffende gemeenten had Rotterdam echter geen overleg gevoerd... het verzet uit de regio was groot en had ten dele succes: in 1929 lieten Gedeputeerde Staten van de provincie weten ‘voorlopig’ af te zien van het integrale plan en zich te beperken tot de havenuitbreidingen. Het Rotterdamse voorstel werd uiteindelijk in 1933 definitief door de provincie afgewezen, met uitzondering van Hoogvliet en Pernis: zij moesten er aan geloven vanwege de aanleg van de havens voor de petroleumindustrie aan de Vondelingenplaat. Twaalf jaar later, per 1 augustus 1941, werden beide dorpen alsnog door de stad Rotterdam geannexeerd. 

De economische crisis brak uit... de verdere annexatieplannen bleven liggen. De stemmingmakerij ging wel door. In het sociaal-democratisch dagblad Voorwaarts van 3 februari 1930 wordt gemeld dat Rotterdam ontwikkelingsruimte nodig heeft voor het bergen van havenslib en voor het bouwen van huizen en fabrieken en voor recreatiegebied, maar dat de omliggende gemeenten, Hillegersberg voorop, dit ernstig belemmeren door haar gebied te reserveren voor woningbouw voor de betere standen. Passages uit de krant: "Rotterdamse arbeiders mogen er alleen eens een vrije dag doorbrengen. (...) Het merendeel van de bewoners is het dilettanterig gepruts van het gemeentebestuur zo hartgrondig beu dat het annexatie met beide handen zou aanvaarden. Moge het spoedig daartoe komen...". 

Onontkoombaar

De gemeenteraad van Hillegersberg ziet in zijn vergadering van 14 mei 1941 een mogelijke annexatie als onvermijdelijk. Op zaterdag 17 mei 1941 is er in de achterzaal van het Plaswijckpaviljoen een mogelijkheid voor de bevolking om in discussie te gaan met de burgemeesters en wethouders van Hillegersberg, Schiebroek, Overschie en IJsselmonde over een aanstaande samenvoeging met Rotterdam. Het verandert niets aan de zaak. 

Het gemeentebestuur nam nog enkele 'historische' besluiten. Als een soort verzetsdaad werden door B&W op 15 mei 1941 de Bergsingel en de Verlengde Bergsingel omgedoopt in de Burgemeester F.H. van Kempensingel. Op 23 mei 1941 besloot de gemeenteraad van Hillegersberg Adrianus Johannes Breedveld, al sinds 1918 raadslid en van 1919-1931 wethouder, te eren door de 'verdooping' van de Breitnersingel in de Breedveldsingel. Tegen dat raadsbesluit volgde een 'geweldige agitatie' -woorden van het raadslid Beemer- van de bewoners. De raad kwam een maand later terug op zijn besluit en besloot op 23 juni 1941 een nog onbebouwde singel de naam Breedveldsingel te geven. In deze raadsvergadering kreeg ook de gemeentesecretaris J. van Ballegooij een singel naar hem genoemd. Al eerder werd een laan naar de oud-wethouder Maarten Dijkshoorn genoemd (1927).

Het 'gewone' leven ging door. Ook was aandacht voor de historische bezittingen van de gemeente Hillegersberg: in een brief van 28 mei 1941 vroeg burgemeester Van Kempen aan de gemeentearchivaris ten behoeve van het Prentenkabinet enkele zaken te komen ophalen: een beschilderd offerkistje, een wapen, een tinnen kan en drie stuks tinwerk "staande op de boekenkast in de Burgemeesterskamer". 

In 1941 viel 29 juni, de verjaardag van Prins Bernard, op een zondag. De organist van de Hillegondakerk zette na de dienst bij de geopende kerkdeuren het Wilhelmus in... Het kostte hem een jaar gevangenschap. Op 15 juli 1941 kwamen vijf notabele Hillegersbergenaars bijeen: wethouder Spronkers, de arts Jongerius, bankdirecteur Van Leeuwen, oud-tolgaarder Dries Cossee en de predikant Snethlage. Het doel was het scheidende gemeentebestuur een afbeelding van een toekomstig geschenk te geven: een herinneringsbank. De Hilllegersbergse beeldhouwer Edema van der Tuuk maakte het ontwerp. De bank is er nooit gekomen...

De laatste vergadering
Op 31 juli 1941 vond de laatste gemeenteraadsvergadering van Hillegersberg plaats. Burgemeester Van Kempen hield een roerende afscheidsrede, hij kreeg een wandbord als afscheidscadeau. Na de vergadering en toespraken was er in het paviljoen Plaswijck een drukbezochte afscheidsreceptie voor de burgerij.

Onderdeel van Rotterdam
Hillegersberg werd zonder het uitschrijven van nieuwe gemeenteraadsverkiezingen op 1 augustus 1941 onderdeel van Rotterdam. Als (enige) vertegenwoordiger van Hillegersberg werd Breedveld, de nestor van de gemeenteraad van Hillegersberg met 23 dienstjaren, benoemd in de raad van Rotterdam. De Duitse bezetter nam evenwel het besluit 'om de werkzaamheden van de gemeenteraden te laten rusten', en wel vanaf augustus 1941. De macht in de gemeente berustte vanaf dat moment volledig bij het College van B&W. Breedveld heeft zijn plaats aan de Coolsingel dus nooit ingenomen.

In Hillegersberg kwam een hulpsecretarie van Rotterdam voor de inwoners van Hillegersberg en Schiebroek. De oud-gemeentesecretaris van Hillegersberg, J. van Ballegooij, en oud-locosecretaris, Roodvoets kregen de leiding van de hulpsecretarie. Van Ballegooij vervulde deze functie tot 1951.

Discussie vervolgd
Na de oorlog zouden 'alle' onder de Duitse bezetter genomen maatregelen worden teruggedraaid. Dat gebeurde niet met bestuurlijke herindelingen zoals het voegen van Hillegersberg en Schiebroek bij Rotterdam. Het Tweede Kamerlid Franz-Josef van der Heijden heeft dit in de jaren '90 nog eens aangekaart. Moest deze maatregel, gezien de gemaakte afspraken, niet worden teruggedraaid? De minister, en met hem de Tweede Kamer, vond van niet. Einde discussie.