Ambachtsheerlijkheid Hillegersberg

De ambachtsheerlijkheid functioneert
In een ambachtsheerlijkheid werd het gezag uitgevoerd door een schout, die daartoe door de landheer was benoemd. De schout was de openbare aanklager, sprak recht bij eenvoudige zaken en vervulde bestuurstaken. De schout werd daarbij bijgestaan door schepenen die uit de plaatselijke bevolking werden benoemd voor een periode van één of twee jaar.

Op 2 november 1269 verleent Floris V de erfelijke rechten van Hillegersberg aan zijn leenman Vrancke Stoep (Frank Stoop). Het bezit van de heerlijkheid was erfelijk, maar kon ook worden verkocht en gekocht. Na Vrancke Stoop was zijn dochter Aleida bezitter van de ambachtsheerlijkheid. Vervolgens viel het aan Vrancke Stoops kleindochter Hildegunde van de Velde toe. Voor zover valt na te gaan, blijkt de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge.

In 1575 kreeg Rotterdam het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Dit was een begeerd voorrecht omdat het de ambachtsheerlijkheid van Hillegersberg en Moordrecht impliceerde. Hierdoor werd Rotterdam eigenaar van de heerlijke rechten en met name van het benoemingsrecht in de aan de stad grenzende ambachtsheerlijkheden. De zetel van het ambacht was gevestigd te Hillegersberg. Men beschikte niet over een eigen lokaliteit: er werd gebruik gemaakt van de Hillegondakerk. Jaarlijks op 1 juli vond daar ook de financiële verantwoording plaats ten overstaan van de ingelanden. Op 29 juni 1599 werd besloten om over te gaan tot het bouwen van een raadhuis ‘ten eynde met meerder respect en beter ordere alle saecken 't seyt van justitie en regieringh te verhandelen’.

De ambachtsheerlijkheid heeft geen inhoudelijke betekenis meer
Met de nieuwe grondwet van 1848 vervielen veel rechten van de ambachtsheer. De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 24 november 1851 de heerlijkheid van Hillegersberg te verkopen. De verkoop vond plaats bij openbare veiling op 21 en 28 juli 1853. Vanaf 28 juli 1853 was ds. Jan Jacob van Voorst te Amsterdam in het bezit van de heerlijkheid Hillegersberg. Ds. Van Voorst verkocht de heerlijkheid op 9 juli 1861 aan mr. P.G.J. Hoog van ter Aar. Zijn weduwe liet de heerlijkheid veilen, deze kwam op 4 maart 1868 in handen van Leendert Pieter le Sage ten Broek, ontvanger der successierechten te Rotterdam. Hij wijzigde vervolgens zijn naam in Le Sage ten Broek van Hillegersberg. Zijn weduwe legateerde de heerlijkheid aan Jhr. ir. Paul Tieleman Marie Stoop te Den Haag. Stoop veranderde zijn naam in Stoop van Hillegersberg. Hij had geen mannelijke nakomelingen, zijn weduwe droeg de heerlijkheid over.

Op 22 maart 1949 kwam de heerlijkheid van Hillegersberg bij Martinus Hendrik de Gou te Den Haag. Na zijn overlijden op 4 januari 1958 ging de heerlijkheid van Hillegersberg over naar zijn zoon, mr. dr. Leonard de Gou, toen burgemeester van Venlo en lid van de Eerste Kamer. Leonard de Gou overleed in het jaar 2000.