Aan de Van Beethovensingel 60 staat het Rheumaverpleeghuis. Het is gekomen op initiatief van Christina Brouwer-Batenburg (1901-1974). Zij leed zelf aan reuma en had voor ogen in heel het land verschillende reumaverpleeghuizen te realiseren. De naam Rheumaverpleeghuis werd later gewijzigd in Centrum voor Reuma en Revalidatie Rotterdam (RRR).
'Bureau Krijgsman en Van Duin architecten B.N.A' kreeg de opdracht het pand te ontwerpen. Het werd gebouwd in de periode 1965-1968. Wim van Deventer, oud-directeur van het RRR, heeft de geschiedenis beschreven "van een zorginstelling die de patiënten en de medewerkers (collega’s) respecteerde en in open verbinding stond met de omgeving".
Wim van Deventer, oud-directeur van het Rheumaverpleeghuis, later het Centrum voor Reuma en Revalidatie Rotterdam (RRR) genoemd, heeft een beschrijving gegeven van het werken aldaar. Hieronder zijn (ingekorte) verslag.
Het RRR stond 25 jaar lang bekend om zijn eigen visie op zorg waarbij de patiënten zelf ideeën aandroegen, inspireerden en betrokken waren bij de realisatie. Globaal genomen waren er dagelijks zo’n 600 mensen betrokken, waarvan de helft medewerkers. De andere helft bestond uit revalidanten, die kortstondig verbleven, patiënten die langdurig verbleven, hun vrienden en familie, vrijwilligers, omwonenden en toeleveranciers: ‘de vrienden van het centrum’. Samen vormden zij in feite een hechte gemeenschap. Het RRR had een ‘vrienden-organisatie’ onder voorzitterschap van Hans Krielen. Zij organiseerden jaarlijks een golftoernooi waarvan de opbrengst geheel ten goede mocht komen aan de patiënten. De leiding van het RRR was in handen van Wim van Deventer en Tom Bank. Gezamenlijk legden zij verantwoording af aan de Raad van Toezicht met als elkaar opvolgende voorzitters: Arie van der Kloos en Frans Jozef van der Heijden. Zij deelden de ambitie van de instelling om zich te onderscheiden en droegen daaraan bij. Voor de inspraak zorgden zowel de patiëntenraad, de ondernemingsraad, de vrijwilligersraad en de familieraad.
Van Rheumaverpleeghuis naar Revalidatie-instelling
Zo'n 60 jaar geleden hadden patiënten met een ernstige reumatische aandoening op de persoon gerichte zorg nodig die bovendien van dag tot dag kon verschillen. Veelal waren er gelijktijdig twee medewerkers nodig, naast zware medicatie, om gewrichten actief te houden en de pijn te verlichten. Sindsdien is er medisch gezien veel verbeterd waardoor langdurige
opname van patiënten met reumatische aandoeningen in een gespecialiseerde instelling niet langer noodzakelijk werd.
In het Rheumaverpleeghuis maakten patiënten met reumatische aandoeningen als gevolg van deze gunstige ontwikkeling in toenemende mate plaats voor oudere patiënten met ernstige uiteenlopende lichamelijke aandoeningen. De behoefte aan
paramedici en intensieve persoonsgerichte verpleegkundige zorg verminderde daardoor. Het budget werd hierop gereduceerd. Dit leidde tot tekorten bij het RRR en daardoor tot het uitstellen van onderhoud en het doen van nieuwe investeringen. Langs natuurlijk verloop werd de groep behandelaars gereduceerd maar ontslagen werden zo lang mogelijk uitgesteld.
In het RRR werkten mensen die afkomstig waren uit 37 verschillende landen. Een ieder werd in staat gesteld om zijn geloof te belijden.
De keuze voor de intensieve behandeling van CVA (herseninfarct of -bloeding)- patiënten
In de gezondheidszorg was begin jaren negentig sprake van schaalvergroting door fusies. RRR koos er echter bewust voor een kleinschalig gespecialiseerd zorgcentrum te blijven met een sterke verbinding met de omgeving. Dit bleek door de behaalde gezondheidswinst een waardevolle aanvulling op het zorgaanbod.
Aan het begin van de jaren negentig waren ziekenhuisbedden langdurig bezet door patiënten die een CVA hadden gehad. Nieuwe patiënten die door een beroerte waren getroffen moesten thuis blijven of belandden in een verpleeghuis zonder de intensieve behandeling die noodzakelijk was voor herstel. RRR werd herhaaldelijk benaderd door huisartsen met het verzoek deze patiënten op te nemen. De multidisciplinaire aanpak van RRR sloot uitstekend aan bij de behoeften van CVA-patiënten. RRR deelde met professor Peter Koudstaal en professor Diederik Dippel, beiden verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum, de overtuiging dat snelle diagnostiek (bij voorkeur binnen 24 uur een hersenscan maken) en directe revalidatie cruciaal waren. Andere zorginstellingen namen juist die patiënten over die al langdurig in een ziekenhuis verbleven. Maar door het ontbreken van tijdige revalidatie was hun herstelkans inmiddels gering. Door de aanpak van het RRR konden langdurige ziekenhuisopnames worden voorkomen én werd het herstelperspectief van patiënten aanzienlijk verbeterd. Thans is deze zienswijze in brede kring geaccepteerd. Tussen 1992 en de daaropvolgende jaren werden meer dan 3.000 CVA-patiënten binnen korte tijd in het RRR gerevalideerd.
Voor de behandeling van recent getroffen CVA-patiënten werd binnen het RRR een aparte afdeling ingericht. Hiervoor was een ingrijpende verbouwing nodig. Er werden moderne behandelruimten gerealiseerd en ook de buitenruimte werd betrokken bij de therapie. Zo werd een bijzondere therapeutische tuin aangelegd, geïnspireerd op het Militair Revalidatiecentrum in Doorn en de voorzieningen van het NOC in Zeist (Papendal). Hans Jongste van firma Maasmond en Tom Bank waren verantwoordelijk voor de bouw en inrichting van de revalidatieruimten, die qua uitstraling vergelijkbaar waren met die
van Papendal. Alleen een zwembad ontbrak nog.
Voor erkenning als (poliklinisch) revalidatiecentrum was het een vereiste dat de behandeling van patiënten plaats vond onder eindverantwoordelijkheid van revalidatieartsen. In de beginfase werd het RRR ondersteund door de revalidatiearts dr. Josemiek Pesch. Dankzij samenwerking met het Militair Revalidatiecentrum in Doorn kon aan de vereisten worden voldaan. Directeur Wim Wehrtheim stelde innovatieve revalidatietechnologie ter beschikking.
Op veel plaatsen in Nederland is de behandeling van oudere mensen die getroffen zijn door een CVA inmiddels aanzienlijk verbeterd: de diagnose vindt veelal binnen 25 uur plaats en in diverse verpleeghuizen zijn specialistische afdelingen waar patiënten met een CVA onder leiding van daartoe opgeleide specialisten ouderengeneeskunde, worden behandeld en binnen twee tot drie maanden naar een thuissituatie kunnen worden ontslagen. In Rotterdam werd daartoe in 1997 samen met ‘Erasmus MC’, ‘Laurens’ en ‘Rijndam’ de Rotterdam Stroke Service (RSS) opgericht waarbinnen alle betroken instellingen overleg voerden onder voorzitterschap van prof Dippel.
De vrijwilligers en de patiëntenraad
Bij het RRR 'werkten' circa honderd vrijwilligers, veelal afkomstig uit de directe omgeving of familie van (oud-) patiënten waren soms tot op hoge leeftijd (mw. De Wit, trakteerde op taartjes en stopte pas op 95 jarige leeftijd) zowel binnen, als buiten in de tuin, actief. Zij beheerden een bibliotheek met ruim 1000 titels. De boeken waren gedrukt in grote letters. De
vrijwilligers werden ingezet bij bloemschikken, boodschappen doen, samen gebak eten of zingen en chaufferen. Een van hen, de heer Mens, gaf leiding aan de vrijwilligers en zat de vrijwilligersraad voor.
Anders dan in veel zorginstellingen gebruikelijk is waren uitsluitend (ex)patiënten lid van de cliëntenraad. Deze werd voorgezeten door een patiënt, mw. Veldhuyzen van Zanten, zij was huisarts. Zij was ook als adviseur toegevoegd aan de management vergadering van het RRR. In de praktijk kwam dat er op neer dat er geen besluiten werden genomen waarmee zij niet kon instemmen.
Financiën
Het Centrum had een erkenning voor 130 bedden en 16 dagbehandelingsplaatsen. Hiervan werd intensief gebruik gemaakt. Reservebedden werden niet meegerekend maar konden bij onderbezetting de productie toch op 100% doen uitkomen. Het resulteerde in een positief financieel resultaat omdat de kosten beheersbaar waren. Dit kwam niet alleen dankzij de gesubstitueerde instroom van circa honderd mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (Melkertbanen) maar ook dankzij een laag ziekteverzuim. Dit percentage lag gemiddeld 2 % onder het landelijk gemiddelde. Het RRR slaagde er bovendien in om voor (Europese)fondsen in aanmerking te komen. Daarnaast ontving het Centrum een jaarlijkse bijdrage van ongeveer € 50.000 van 'de vrienden van het RRR' en werden giften/legaten ontvangen van omwonenden die zelf konden zien hoe hun giften aan de patiënten ten goede kwamen. Een goed voorbeeld daarvan is de ‘bijzondere tuin’.
De bijzondere Tuin
Nadat rond de eeuwwisseling de nieuwbouw was afgerond was er tot teleurstelling van de patiënten geen geld over om de omgeving te verfraaien. Goede raad was duur maar de oplossing werd gevonden door een wereldberoemde hovenier (Piet Oudolf), die samen werkte met Marnix Tavenier te vragen een ontwerp te maken. Tal van fondsen en particulieren waren hiervan onder de indruk en bereid, daartoe uitgenodigd door Mw. Mariëtte Opstelten-Dutilh voor de financiering zorg te dragen. Paul Casteleijn legde de tuin aan en zorgde voor het onderhoud.
Het resultaat was verbluffend en strekte de patiënten tot eer. De tuin werd gefotografeerd door Walter Herfst en genomineerd als mooiste institutionele tuin van Nederland. De tuin werd onderdeel van Rotterdam Culturele hoofdstad van Europa. Voor de tuin met zicht op de molen 'De vier winden' bestond internationale belangstelling. De tuin droeg dan ook bij aan een positieve beeldvorming van het RRR. Samen met de voorzitter van de patiëntenraad mw. Veldhuyzen van Zanten opende de vrouw van de burgemeester mw. Opstelten-Dutilh het nieuwe RRR met de bijzondere tuin.
In de tuin was veelal ook Lizzy Nieuwenhuis aanwezig. Zij communiceerde, in kleur en vorm door gebruikmaking van potlood en verf. Patiënten die hun vermogen om te praten waren verloren (afasie) genoten hier zichtbaar van. Er ontstonden prachtige tekeningen en schilderijen waar de emotie van af spatte. Als therapeute was zij nog niet formeel erkend, maar zij haalde op unieke wijze mensen uit hun geestelijke isolement.
Piet Oudolf, die de bijzondere tuin ontwierp, bracht het Centrum in contact met de meubelmaker Piet Heijn Eek. Aan de hand van de specificaties van de ergotherapeuten ontwierp hij meubilair voor revalidanten. Dankzij deze banken konden patiënten
gemakkelijker zelfstandig gaan zitten en opstaan. Ook ontwierp hij een ‘orangerie’ voor in de tuin maar die is helaas niet gerealiseerd.
Eén heer, Anton, was tuinman en was graag bereid om een gedeelte van de tuin te onderhouden. Omdat hij niet overal bij kon, werd een buurjongen gevraagd om hem te assisteren. Jos Cossee, de smid uit de Bergse Dorpsstraat, bleek bereid om een volledig verplaatsbare en in hoogte verstelbare kweekkas voor hen te construeren.
Drrroomland
Nabij de instelling bevond zich in het park een afgesloten terrein waar vrijwilligers een volkstuin complex wilden aanleggen. Bij gebrek aan financiële middelen werd besloten hen financieel bij te staan. In ruil daarvoor kreeg het RRR groenten, kruiden en vooral veel verse aardbeien. Op het terrein stond een oude keet met aangrenzend een groot terras. Het RRR kreeg enkele percelen tot haar beschikking waar door vrijwilligers aardbeien en groenten werden verbouwd. Wanneer patiënten met hun
familie en vrienden een bezoek wilden brengen werden zij gastvrij ontvangen. Ook werden er lunches en lezingen georganiseerd. Het deed mensen goed om er even helemaal uit te zijn. Zij kwamen in deze oase tot rust en werden afgeleid van hun zorgen.
Kunst en cultuur
Veel aandacht werd ook besteed aan de relatie met Rotterdamse kunstenaars die gedurende 25 jaar iedere acht weken een nieuwe expositie verzorgden van figuratieve kunst: ‘Gallery R’. De schilderijen waren zo opgehangen dat deze vanuit een rolstoel goed konden worden gezien. De exposities werden georganiseerd door Karel de Groot met zijn vrouw. In de zomer volgde een overzichtsexpositie waarvoor iedere kunstenaar werd uitgenodigd om binnen een thema werk beschikbaar te stellen. Op verzoek van een van de vrouwelijke patenten was een keer het thema: ‘manlijk naakt’ wat de nodige opschudding veroorzaakte en enkele gefronste wenkbrauwen. Het was nooit saai.
De exposities werden geopend door bekende Nederlanders o.a. door Neelie Kroes samen met haar toenmalige man Bram Peper. Het RRR werd benaderd door een amateurfotograaf, die een uitgebreide expositie had samengesteld over Tom Manders (Dorus). Diens zoon Tom Manders Jr. bleek bereid de expositie te openen. Ook Hans Becker van de Stichting Humanitas was een trouwe bezoeker van de exposities.
Een nieuwe tijd
Hoewel de tevredenheidsscore door patiënten hoog was kwam het toch voor dat er patiënten en familieleden waren die een negatieve ervaring hadden en in een aantal gevallen op terechte gronden. Zo werd bijvoorbeeld niet altijd voldaan aan de norm om binnen zes minuten op een bel te reageren. De inspectie kwam aan de hand van tien criteria met een negatief oordeel gebaseerd op hun verwachting dat de door hen noodzakelijk geachte verbeteringen niet binnen twee maanden gerealiseerd konden worden. Toen dit wel het geval bleek, wat zij zelf vaststelden, werd er niet gerectificeerd. Desondanks moet worden geconstateerd dat de kritische opstelling van de inspectie heeft bijgedragen aan de verbetering van de gezondheidszorg.
Gedwongen door persoonlijke omstandigheden en gewijzigde regelgeving moest er in 2015 afscheid worden genomen van de volledige Raad van Toezicht. Er kwam een geheel nieuwe Raad van Toezicht. De nieuwe toezichthouders waren de mening toegedaan dat er door het RRR te veel risico’s werden genomen. Een structureel verlies was huns inziens onafwendbaar. Het oordeel van de inspectie woog voor hen zwaar. Zij vreesden dat zij aansprakelijk konden worden gesteld. De Raad van Toezicht koos voor een geheel andere koers, één die aansloot bij de grotere collega zorginstellingen. Er werd aangestuurd op fusie en van de leidinggevenden werd afscheid genomen. De nieuwe koers leidde tot een fusie geleid met de stichting ‘Fundis’ waardoor het mogelijk werd om het RRR andermaal ingrijpend te vernieuwen tot tevredenheid van de nieuwe patiënten en
medewerkers. Het RRR heeft een nieuwe naam gekregen: De State.
Achteraf beschouwd heeft het RRR bijgedragen aan het overbruggen van de periode die in Nederland nodig was om tot een betere zorg te komen voor oudere patiënten die door een CVA waren getroffen.
Wim van Deventer stuurde zijn verslag o.a. aan Ad Melkert, oud-voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1994-1998) en Harry Commandeur, professor aan de Erasmus School of Philosophy. De reactie van Ad Melkert was: "via het partijbureau van de PvdA ontving ik het indrukwekkende verslag van jarenlange inspanning om kleinschalig zeer betekenisvolle zorg te verlenen. En dat ook nog met inschakeling van 'Melkert' medewerkers - altijd weer inspirerend om te zien hoe mensen konden en kunnen bijdragen vanuit hun capaciteiten. Dank voor het aansprekende verhaal van zorg, aandacht en eigen initiatief. Ik denk ook te lezen dat zorginstellingen meer oog hebben gekregen voor de omgeving waarin mensen worden opgevangen en verzorgd - maar daar is natuurlijk altijd nog veel te leren
en te doen”. Harry Commandeur reageerde als volgt: “Over innovatie, verankering en verbinding (uit RRR) wordt nog steeds
gepubliceerd. Bestuurlijk hanteer ik de 3R zienswijze: richting geven, ruimte laten en regels inzake cultuur & gedrag. En uiteraard het onderscheid tussen leiding geven (kunnen weinigen) en management (zijn er veel te veel van). Waar de visie ontbreekt grijpt de boekhouder de macht”.