De annexaties van Hillegersberg en Schiebroek

Per 1 augustus 1941 definitief een onderdeel van Rotterdam

Feitelijk klopt het wel dat 'De Duitsers' verantwoordelijk waren voor de annexaties van Rotterdam per 1 augustus 1941, zij waren immers de bezettende mogendheid. En het klopt dat er toen bij Hillegersberg en Schiebroek veel verzet was tegen de annexatie.

Maar ruim 25 jaar daarvoor, in 1914, vroeg Hillegersberg zelf om onderdeel van Rotterdam te mogen worden. Dat werd toen door Rotterdam zelf afgewezen. En ook werd het opheffen van Schiebroek lange tijd algemeen zeer logisch gevonden, ook binnen Schiebroek zelf: met nog geen 800 inwoners kan je als gemeente toch niet functioneren?

De splitsing van Hillegersberg en Rotteban en de annexaties van Hillegersberg en Schiebroek

Splitsing van Hillegersberg en Rotteban in 1811
Hillegersberg en Bergschenhoek waren één tot 1811. In 1810 was Nederland onderdeel van Frankrijk geworden onder keizer Napoleon. De, dus ook in Nederland geldende, Franse Gemeentewet van 1811 bepaalde een minimale omvang van 500 inwoners, maar er werd gestreefd naar een aantal van ongeveer 2.000 inwoners. Ook omvang van het grondgebied werd een criterium voor herindeling van gemeenten. De gouverneur-generaal van het bij Frankrijk ingelijfde Nederlandse gebied, Charles-François Lebrun, verdeelde het land in mairieën van zo veel mogelijk gelijke grootte. Bij Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811 werd Hillegersberg en de Rotteban gesplitst in de gemeenten Hillegersberg en Bergschenhoek. 

De (deel-)annexatie van Zuid-Hillegersberg in 1904
Per 1 januari 1904 annexeerde Rotterdam het deel van Hillegersberg ten zuiden van de Cientuurbaan. Grondeigenaren van de weilanden in de Hillegersbergse Bergpolder wilden hun gronden gaan bebouwen. Twee eigenaren, Martinus Zaaijer en Cornelis Kurpershoek, richtten zich tot B&W van Hillegersberg met het verzoek mee te werken aan een grenscorrectie. Hillegersberg was immers niet in staat in dat ver van de dorpskern afgelegen gebied te zorgen voor nutsvoorzieningen en wegen. Ondanks verzet van bewoners uit het gebied wilde het gemeentebestuur van Hillegersberg meewerken, ook al omdat de projectontwikkelaars de gemeente een schadeloosstelling van 100.000 gulden hadden toegezegd. Ook de gemeente Rotterdam wilde meewerken aan een grenscorrectie.

Op 30 november 1903 kwam de wet in die de (deel-)annexatie van Hillegersberg regelde het Staatsblad: vanaf 1 januari 1904 kwam het gedeelte van Hillegersberg liggende in de Blommerdijkse polder en de Bergpolder ten zuiden van de Ceintuurbaan onder Rotterdams bestuur. De grens tussen Hillegersberg en Rotterdam lag in de 19e eeuw bij de toenmalige (gewelfde) Heulbrug bij de kruising van de Schiekade/ Schieweg en Blommersdijkse weg (de huidige Bergweg)/ Walenburgerweg. Het betrof o.a. het gebied bij het Zwaanshals (609 inwoners), het gebied waar nu de A20, de Rotte begraafplaats Crooswijk en het Noorderkanaal zijn gelegen en het gebied rond de Hillegondastraat (nu: Hooglandstraat). Het aantal inwoners van Hillegersberg liep terug van 7000 naar 2900.

Straten met echte Hillegersbergse straatnamen kwamen in Rotterdam-Noord te liggen, zoals de Heer Vrankestraat. De Heer Vrankelaan bleef wel Hillegersberg. De Rottestraat werd hernoemd in Meester Willemstraat, omdat Rotterdam al een Rottestraat had. 

Plannen voor annexatie van heel Hillegersberg
al in 1914...
In het voorjaar van 1914 vond een drukbezochte bijeenkomst plaats in Lommerrijk onder leiding van de fabrikant L. van Helden Tucker met als onderwerp de (al dan niet) wenselijkheid van een annexatie van Hillegersberg door Rotterdam. Als basis voor deze wens werd een aantal argumenten naar voren gebracht: de aaneengroeiing van de bebouwing, de financiële onmacht van de gemeente Hillegersberg ten aanzien van rioolaanleg en woningbouw en de parkplannen (Kralingsebos) van Rotterdam die aansluiten bij de plannen van Hillegersberg (Prinsemolenpark). Ook speelden argumenten van financiële aard: Rotterdam is goedkoper dan Hillegersberg. Tot de voorstanders van annexatie hoorden vooral de forensen, de tegenstanders kwamen vooral uit de agrarische kringen. In mei 1914 vond onder de 'gemeentekiezers' een peiling plaats: van de 524 gemeentekiezers waren 408 stemmen voor annexatie. Ook spraken zeven van de elf gemeenteraadsleden van Hillegersberg zich uit voor annexatie.

De gemeente Hillegersberg richtte een verzoek tot annexatie aan de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Dat verzoek bleef ‘even’ op de plank liggen. In 1919 sprak de gemeenteraad van Rotterdam over Hillegersbergse wens tot annexatie. Binnen de Rotterdamse raad werd de annexatie afgewezen. Hillegersberg was bepaald niet gewild zoals blijkt uit de enkele uitspraken; zo was wethouder De Jong duidelijk: “Wat is Hillegersberg? Een groot aantal hectaren papgrond”. Het raadslid Van Ravesteijn was nog duidelijker: “Het land daar is voor bouwgrond absoluut ongeschikt. Hillegersberg bestaat uit water en papgrond. Hillegersberg is en blijft onbewoonbaar, zoolang het niet door Rotterdam bewoonbaar wordt gemaakt.”. Er werd geen besluit tot annexatie genomen.

Jhr. V.H. de Villeneuve was burgemeester van zowel Hillegersberg als van Schiebroek. Op 1 september 1924 trad hij af om gezondheidsredenen. De vraag was toen actueel: moet er een nieuwe eigen burgemeester voor Hillegersberg en Schiebroek komen of worden Hillegersberg en Schiebroek geannexeerd door Rotterdam? In Schiebroek werd een enquête uitgeschreven. De eventuele benoeming van een nieuwe burgemeester moest maar worden uitgesteld tot de uitslag bekend was. Reeds in oktober 1924 werd F.H. van Kempen geïnstalleerd als burgemeester van Hillegersberg, in november 1924 werd J.P.H. Dhont benoemd als burgemeester van Schiebroek. De annexatie van Hillegersberg en Schiebroek leek (voorlopig) van de baan.

Het gemeentebestuur van Rotterdam gaf in 1924 zijn directeur Plaatselijke werken, De Roode, de opdracht een plan te ontwerpen voor de uitbreiding van de stad vanwege  de havenexploitatie, de zeggenschap over de Nieuwe Waterweg, gebrek aan bouwgrond en ‘hygiënische toestanden’ in randgemeenten. Annexatie van Hillegersberg en Schiebroek paste uitstekend in de opzet van De Roode om de recreatieve mogelijkheden van Rotterdam te vergroten. In 1926 stuurde Rotterdam een brief v aan de provincie met onder andere de passage dat in Hillegersberg de drinkwatervoorziening en de riolering ernstig te wensen over lieten. In 1927 diende B&W van Rotterdam een voorstel tot stadsuitbreiding in. Na uitgebreide discussies besloot de gemeenteraad in januari 1929 met 26 tegen 13 stemmen tot de annexatie van veel van de omliggende gemeenten voor uitbreiding van de haven, woningbouw en recreatiegebied. Bij Rotterdam zouden o.a. Hillegersberg, Schiebroek, Overschie, Schiedam en Vlaardingen moeten komen. Met de betreffende gemeenten had Rotterdam echter geen overleg gevoerd... het verzet uit de regio was groot en had ten dele succes: in 1929 lieten Gedeputeerde Staten van de provincie weten ‘voorlopig’ af te zien van het integrale plan en zich te beperken tot de havenuitbreidingen. Het Rotterdamse voorstel werd uiteindelijk in 1933 definitief door de provincie afgewezen, met uitzondering van Hoogvliet en Pernis: zij moesten er aan geloven vanwege de aanleg van de havens voor de petroleumindustrie aan de Vondelingenplaat. Twaalf jaar later, per 1 augustus 1941, werden beide dorpen alsnog door de stad Rotterdam geannexeerd. 

De economische crisis brak uit... de verdere annexatieplannen bleven liggen. De stemmingmakerij ging wel door. In het sociaal-democratisch dagblad Voorwaarts van 3 februari 1930 wordt gemeld dat Rotterdam ontwikkelingsruimte nodig heeft voor het bergen van havenslib en voor het bouwen van huizen en fabrieken en voor recreatiegebied, maar dat de omliggende gemeenten, Hillegersberg voorop, dit ernstig belemmeren door haar gebied te reserveren voor woningbouw voor de betere standen. Passages uit de krant: "Rotterdamse arbeiders mogen er alleen eens een vrije dag doorbrengen. (...) Het merendeel van de bewoners is het dilettanterig gepruts van het gemeentebestuur zo hartgrondig beu dat het annexatie met beide handen zou aanvaarden. Moge het spoedig daartoe komen...". 

Onontkoombare annexatie van Hillegersberg in 1941

Per 1 augustus 1941 werden Hillegersberg, Schiebroek, Overschie, en IJsselmonde aan Rotterdam toegevoegd (zie kaartje). Het gemeentebestuur van Hillegersberg nam nog enkele 'historische' besluiten. Als een soort verzetsdaad werden door B&W op 15 mei 1941 de Bergsingel en de Verlengde Bergsingel omgedoopt in de Burgemeester F.H. van Kempensingel. Op 23 mei 1941 besloot de gemeenteraad van Hillegersberg Adrianus Johannes Breedveld, al sinds 1918 raadslid en van 1919-1931 wethouder, te eren door de 'verdooping' van de Breitnersingel in de Breedveldsingel. Tegen dat raadsbesluit volgde een 'geweldige agitatie' -woorden van het raadslid Beemer- van de bewoners. De raad kwam een maand later terug op zijn besluit en besloot op 23 juni 1941 een nog onbebouwde singel de naam Breedveldsingel te geven. In deze raadsvergadering kreeg ook de gemeentesecretaris J. van Ballegooij een singel naar hem genoemd. Al eerder werd een laan naar de oud-wethouder Maarten Dijkshoorn genoemd (1927).

Het 'gewone' leven ging door. Ook was aandacht voor de historische bezittingen van de gemeente Hillegersberg: in een brief van 28 mei 1941 vroeg burgemeester Van Kempen aan de gemeentearchivaris ten behoeve van het Prentenkabinet enkele zaken te komen ophalen: een beschilderd offerkistje, een wapen, een tinnen kan en drie stuks tinwerk "staande op de boekenkast in de Burgemeesterskamer". 

In 1941 viel 29 juni, de verjaardag van Prins Bernard, op een zondag. De organist van de Hillegondakerk zette na de dienst bij de geopende kerkdeuren het Wilhelmus in... Het kostte hem een jaar gevangenschap. Op 15 juli 1941 kwamen vijf notabele Hillegersbergenaars bijeen: wethouder Spronkers, de arts Jongerius, bankdirecteur Van Leeuwen, oud-tolgaarder Dries Cossee en de predikant Snethlage. Het doel was het scheidende gemeentebestuur een afbeelding van een toekomstig geschenk te geven: een herinneringsbank. De Hilllegersbergse beeldhouwer Edema van der Tuuk maakte het ontwerp. De bank is er nooit gekomen...

Op 31 juli 1941 vond de laatste gemeenteraadsvergadering van Hillegersberg plaats. Burgemeester Van Kempen hield een roerende afscheidsrede, hij kreeg een wandbord als afscheidscadeau. Na de vergadering en toespraken was er in het paviljoen Plaswijck een drukbezochte afscheidsreceptie voor de burgerij.

Onontkoombare annexatie van Schiebroek in 1941
Per 1 augustus 1941 werden Hillegersberg, Schiebroek, Overschie, en IJsselmonde aan Rotterdam toegevoegd (zie kaartje). Eind juli was er een emotionele gemeenteraadsvergadering. De laatste... Het raadhuis van Schiebroek werd na de annexatie een distributiekantoor en kreeg na de oorlog de functie van wijkkantoor van de afdeling Sociale Zaken voor Hillegersberg en Schiebroek. De politie bleef nog meer dan 30 jaar in het (voormalige) raadhuis een bureau houden. Schiebroek kreeg geen eigen hulpsecretarie 'aangezien het voormalige raadshuis aan de Ringdijk op een afstand van slechts 15 minuten lopen van het raadhuis van Hillegersberg is gelegen.'. 

Onderdeel van Rotterdam
Hillegersberg en Schiebroek werden zonder het uitschrijven van nieuwe gemeenteraadsverkiezingen op 1 augustus 1941 onderdeel van Rotterdam. Als (enige) vertegenwoordiger van Hillegersberg werd A.J. Breedveld, de nestor van de gemeenteraad van Hillegersberg met 23 dienstjaren, benoemd in de raad van Rotterdam. De Duitse bezetter nam evenwel het besluit 'om de werkzaamheden van de gemeenteraden te laten rusten', en wel vanaf augustus 1941. De macht in de gemeente berustte vanaf dat moment volledig bij het College van B&W. Breedveld heeft zijn plaats aan de Coolsingel dus nooit ingenomen.

In Hillegersberg kwam een hulpsecretarie van Rotterdam voor de inwoners van Hillegersberg en Schiebroek. De oud-gemeentesecretaris van Hillegersberg, J. van Ballegooij, en oud-locosecretaris, Roodvoets kregen de leiding van de hulpsecretarie. Van Ballegooij vervulde deze functie tot 1951.

Discussie vervolgd
Na de oorlog zouden 'alle' onder de Duitse bezetter genomen maatregelen worden teruggedraaid. Dat gebeurde niet met bestuurlijke herindelingen zoals het voegen van Hillegersberg en Schiebroek bij Rotterdam. Burgemeester Oud van Rotterdam zei in 1945 bij zijn 'herintreden' o.a. dat het bestuur van de gemeente weliswaar vanuit een centraal punt geschiedt, maar dat een groot aantal dingen voor iedere wijk een speciaal karakter dragen. Er zijn in Hillegersberg dingen die naar hun aard veel meer aangewezen zijn om geregeld te worden door de burgers van Hillegersberg. Oud zei voorts: "Wil onze gemeente een harmonisch geheel vormen dan moeten de delen op juiste wijze in hetr geheel worden ingepast. [...] Het is nodig te voorkomen dat een grote gemeente als de onze al te zeer verwordt tot een zuiver ambtelijk bestuurd instrument.".

Het Tweede Kamerlid Franz-Josef van der Heijden heeft dit in de jaren '90 nog eens aangekaart. Moest deze maatregel, gezien de gemaakte afspraken, niet worden teruggedraaid? De minister, en met hem de Tweede Kamer, vond van niet. Einde discussie.