De Straatweg

(1916-heden)

De Straatweg is een drukke, ca. anderhalve kilometer lange verkeersweg tussen de Ceintuurbaan en de Bergse Dorpsstraat. Vroeger "den Berchweg" geheten, een naam die in het jaar 1387 gegeven werd aan de dijk die er al was voor Schielands Hoge Zeedijk bestond.

In Rotterdam heette wat daar nu de Bergweg is, de Oost-Blommersdijkscheweg. Op 11 mei 1897 werd deze weg hernoemd in Bergweg. Het deel van de Bergweg in het dorp Hillgersberg is Dorpsstraat gaan heten (na 1941: Bergse Dorpsstraat) en het deel van de Bergweg na de Dorpsstraat richting Bergschenhoek (sinds 1872) Grindweg. Het deel na de Grindweg binnen de  gemeente Bergschenhoek (later onderdeel van de gemeente Lansingerland) heet nog steeds Bergweg, zij het met de aanduidingen Zuid en Noord.

De Straatweg in Hillegersberg

Op 16 februari 1916 besloot de gemeenteraad van Hillegersberg de weg die loopt tussen de Ceintuurbaan en de brug over de Molensloot de Straatweg te noemen. De Straatweg is een deel van de weg tussen Rotterdam en Bergschenhoek die vroeger in zijn geheel de Bergweg heette. De Bergweg is de weg naar het dorp Hillegersberg, dat vroeger ook wel "Den Berg" werd genoemd. Toen de gemeenteraad van Hillegersberg in 1916 de naam Straatweg instelde voor het gedeelte van de Bergweg dat in Hillegersberg lag, was de Straatweg al bijna 100 jaar een straat.

De eerste bestrating vond plaats in 1818. De officiële eerste steen werd op 22 april 1818 in de Straatweg (toen dus nog Bergweg) gelegd. Een aantal Hillegersbergenaren had daarvoor octrooi aangevraagd: bestrating vanaf de Heulbrug (kruising Bergweg-Schiekade) tot "Hillegondsberg". Er werd een lening toegstaan van 20.000 gulden à 5%. Er kwam toen ook een tolcotract waarmee tot 1650 gulden per jaar mocht worden opgehaald.. In het jaar 1864 nam de gemeente de exploitatie over.   Daarvoor was het een modderige zandweg. Rond 1990 werd de Straatweg geasfalteerd.

De Straatweg (Bergweg) was van ouds de weg vanuit Rotterdam naar Hillegersberg en verder door naar Bergschenhoek en Gouda. Op de weg werd ter hoogte van de Kootsekade overigens al sinds 1734 tol geheven, aanvankelijk door het rijk, vanaf 1749 door het ambacht/ de gemeente Hillegersberg. Deze tol, ook wel 'Goudse tol' genoemd, werd wel eens ontlopen via een polderweg die bij het Zwaanshals uitkwam. Het tolhuisje op de Kleiweg/ Straatweg is in 1907 gesloopt en verplaatst naar de andere kant van de straat. Het houten tolhuisje stond aanvankelijk op de noordwestelijke hoek van de viersprong Straatweg-Kleiweg-Kootsekade. Iedereen moest betalen, of je nu per rijtuig, auto of fiets verder wilde rijden. De tolgaarder deed dienst van 04.00 uur tot 23.00 uur. Met ingang van 1 januari 1930 werd de tol opgeheven.

In de Staatweg nabij Lommerrijk was ook een ophaalbrug: de Tivolibrug. Onder de brug liep de verbinding tussen de Bergse Voor- en Achterplas. De Tivolibrug moest worden vervangen toen na 1919 de tram over de Staatweg werd geëlektrificeerd en dubbel spoor kreeg.  In 1929 werd het water overkluisd, rijdend op de Straatweg merk je er 'niets' van. De doorvaarthoogte werd beperkt tot 1,70 meter, hetgeen overigens wel bezwaar op riep van botenbouwer Eggers aan de Bergse Achterplas die een doorvaarthoogte van 1,90 cm. wilde. Dat was lastig voor de huizen in de omgeving. Burgemeester Van Kempen was resoluut: "dan vaar je maar met ballast, het wordt 1,70 cm.".

Aan weerszijden van de Straatweg (Bergweg), met name tussen Rotterdam en Hillegersberg, lagen enkele omvangrijke buitenplaatsen uit de zeventiende eeuw. In de 19e en 20e eeuw ochten enkele rijke Rotterdammers gronden op langs de Bergse Voor- en Achterplas en gingen wonen op de nieuwe door hen gestichte grote buitenplaatsen. Er verschenen meer en meer villa’s en landhuizen aan de Bergweg.  De nieuwe villa's hadden grote tuinen en vaak een theekoepel. De oudere buitenplaatsen veranderden mee in die trend. Ook werden kleine landhuizen aan de Bergweg gebouwd. Zo ontstond aan de Bergweg een gemengde bebouwing van boerderijen en herenhuizen. Enkele negentiende-eeuwse buitenplaatsen, zoals Lommerrijk, hadden en kregen een recreatieve functie voor een breder publiek.

De eerste uitbreidingen met 'gewone woningbouw' in het zuiden van Hillegersberg vonden in het begin van de 20e eeuw plaats bij het buurtschap De Koot tussen de Bergweg en de Rotte. Langs de Straatweg werden pogingen gedaan het helemaal vol te bouwen met als gevolg dat er vanaf de weg geen doorzicht meer was op het water. Burgemeester Van Kempen Ijverde voor open bebouwing, maar zijn strijd ging verloren.

De Straatweg is lang een klinkerweg gebleven. Pas rond 1990 is de weg geasfalteerd.

Enkele oude buitenplaatsen tussen de Dorpsstraat en  de Tivolibrug (bij Lommerrijk)
BERGLUST (westzijde): In 1726 bouwt Willem Vinck Bergzicht, in 1758 noemt Hendrik Beumer zijn buitenplaats Berglust, in 1840 richt Hans Molenaar Bose Berglust in als uitspanning. Berglust wordt o.a. eigendom van Willem van den Hoonaard. In 1861 erft Ariaantje Bravenboer-Ketting het restant van Berglust: bouwland met een vijver. Nu is hier het Berglustkwartier.

BUITENLUST (westzijde): In 1790 koopt Nicolaas Spruit een huis met grond. Volgende eigenaren zijn o.a.: mr. J.H. van Damme, burgemeester Van Mierop (vanaf 1829) en de notarissen Soetbrood Piccardt en Van den Berg. In 1884 bouwt familie De Kat hier de villa Buitenlust (architect: Van Waning). Vervolgens koopt C.N.A. Loos de villa en begint een theeschenkerij. Hij verkoopt het pand weer aan de gemeente Hillegersberg die het pand gebruikt als raadhuis. Nu is het de kinderopvang "Kindergarden" aan de C.N.A. Looslaan 1.

LAMSRUST (KWEEKLUST) (oostzijde): Tegenover het latere Buitenlust  stond een veenhuis van de familie Toornvliet dat in 1745 eigendom werd van Jacob Brakel. In 1768 bouwde Clement van Eyck er een woonhuis, koetshuis en tuinhuis en noemde het geheel buitenplaats Lamsrust. Een volgende eigenaar, Barend van Eck hernoemde het in Kweeklust. In 1857 bouwt kantonbrechter Canter Alta er een nieuw huis.

VISVREUGD/ snuifmolen WINDLUST (oostzijde): Grenzend aan Lamsrust bouwt mr. Pieter de Ridder in 1752 Visvreugd, een huis met een koepel en een balkon over het water. Daarvoor stond er het huis, tuinhuis en schuur van Jacob Brakel. In 1760 voegt De Kock er een tweede balkon en een schuitenhuisje aan toe. In 1788 bouwt Jacob Overgauw de snuifmolen Windlust op het terrein. Deze komt vervolgens in handen van vice-admiraal De Virieu en (vanaf 1823) Jacobus Kiewiet.

POLDERRUST/ HAAGWIJK (westzijde): Jan van de Polder bouwt Polderrust in 1804, en verkoopt het onder de naam Haagwijk in 1826 aan burgemeester Van Mierop. Nu staan hier de woningen Straatweg 209-211.

ZEEVREUGD (oostzijde): Ter hoogte van de huidige Straatweg 238 stichtte Baak het buiten Zeevreugd,  een herenhuis met zaal, koepel en stal. Volgende eigenaren zijn Van Rijp (vanaf 1814) en koopvaardijkapitein J.C. Hahn (vanaf 1832).

VRUCHTENBURG (westzijde): Het buiten bestaat uit een herenhuis met koetshuis en een stalling voor paarden en rundvee. Naast een tuin met een tuinmanswoning is er een boomgaard, plantsoen, weiland en viswater en zijn er houtbossen. Eigenaren zijn Gerrit Jan Terhoeven (vanaf 1797) en Joh. Theodorus van Meekeren (vanaf 1816). De originele veenboerderij uit 1800 is thans de enige overgeleven buitenplaats uit die tijd: Straatweg 171.

BIJDORP (oostzijde): In 1808 koopt apotheker Johannes Thomee van Pieter van de Laan zijn huis, schuur, erg, boomgaard en water. Thomee verbouwt het tot een herenhuis met stal, plantsoen, beek, lanen, bos, boomgaard en erf en voegt er ook nog een tuinmanswoning en grond aan toe. Het ontwerp van de tuin was van J.D. Zocher. Vanaf 1869, zes jaar na zijn aantreden woonde de burgemeester van Hillegersberg,  G.J. le Fèvre de Montigny in Huize Bijdorp. Le Fèvre de Montigny woonde er tot aan zijn overlijden in 1907. De voorlaatste eigenaar C. Pot hield het geheel in zeer goede staat. De laatste eigenaar was een verzekeringsmaatschappij die het in 15 jaar geheel liet vervallen. In 1966 werd huize Bijdorp gesloopt.

LOMMERRIJK (westzijde): Het grondstuk, dat zich uitstrekte tot de Rotte, waarop later o.a. Lommerrijk zou worden gebouwd was in 1655 in bezit van de Rotterdamse vroedschap Jacob Jacobsz van Couwenhoven. Volgende eigenaren waren Jacob Visch en zijn vrouw (1712-1766). Brouwer Nicolaas Beeldemaker koopt in 1766 een deel van het bezit, zijnde de buitenplaats. Deze bestond uit een herenhuis, een koetshuis, een tuinmanshuis met stel, een bouwmnshuis met schuur, hooibergen en broeikassen. In 1783 kopen Johan Steenlack en Jacob Dijksman de buitenplaats. Zij lietenhet buitenhuis direct afbreken.